up: 967,0 dagen


 

 
 
 
 
 

 
 

 
 
 
 


Verhalen
Het kappen van WPN-114
Van bomen en de dingen die voorbij gaan
Ba Anansi en de Moeder van het Bos
De man die bomen plantte
Uiterlijk zegt niet alles
Buiten
In de grond geboord
1e klas hazelnoten
De oude wilg
Mistry Nevelig
De historische achtergrond van de Lindeboom van Tilburg
De eekhoorntjes en de flessendoppen
De legende van de baobab



Het kappen van WPN-114
Tijdens de zomers van 1963 en 1964 onderzocht Donald R. Currey, een afgestudeerde student in Geografie, de East-Central Nevada's Snake Range vlakbij Wheeler Peak. Hij deed hier onderzoek naar klimaatveranderingen tijdens "De Kleine IJstijd. Hij was hiervoor op zoek naar oude pijnbomen in de nabijheid van een glaciale stuwwal. Pijnbomen zijn de oudste levende bomen op aarde en Currey is beroemd geworden door het kappen van de oudste individuele boom die ooit is gevonden.

Curry vond een groep van zeer oude oude pijnbomen op 3200 hoogte aan de noordoostelijke kant van Wheeler Peak. Het oude en verweerde uiterlijk van deze bomen suggereerde dat ze hadden geleefd tijdens zijn onderzoeksperiode. Hij koos uit deze groep een representatief exemplaar om te gaan onderzoeken. Volgens sommige verhalen zou hij vervolgens zijn boor hebben gebroken op een stuk rots dat ingebed was in de boom en was er geen mogelijkheid op het verkrijgen van een nieuwe boor. Een ander verhaal spreekt over het feit dat zijn boor te kort zou zijn geweest voor het verkrijgen van goede monsters, evenals het feit dat Currey niet goed op de hoogte zou zijn van de juiste procedure om monsters van een dergelijke oude boom te verkrijgen.

Zonder goede monsters kon hij zijn onderzoek niet voltooien, en dus besloot hij tot een verzoek om de boom om te hakken zodat hij de jaarringen kon bestuderen. Donald Cox, de Forest Service District Ranger ter plekke, stemde in met zijn verzoek en bood aan om Curry hierbij te assisteren. De boom, die door Curry inmiddels als WPN-114 was gecatalogiseerd, groeide iets buiten het gevonden groepje Pijnbomen op relatief stabiele ondergrond. Het grondniveau was als gevolg van door lawines aangevoerd puin ongeveer 60 cm gestegen ten opzichte van de basis van de boom. De boom werd gekapt en er werden vervolgens dwarsdoorsneden van de stam gemaakt. Na onderzoek bleek dit de oudst bekende levende Pijnboom te zijn geweest. Currey zelf schatte de leeftijd op 4.900 jaar, andere onderzoekers schatten de leeftijd op misschien wel meer dan 5.100 jaar.

Naar aanleiding van het kappen van het op dat moment oudst bekende levende organisme volgde er een grote politieke en publieke discussie. Currey had een National Science Foundation subsidie voor twee zomerseizoenen. Hij was een geograaf die niet specifiek onderzoek naar pijnbomen deed, maar deze wel gebruikte voor het registreren van glaciale gebeurtenissen van de 15e tot de 19e eeuw. Toen hij, zoals sommige verhalen beweren, zijn boor brak deed hij een beroep op de Forest Service die verantwoordelijk was voor het gebruik van deze bossen. Zij boden hem vervolgens expertise. Hiermee werd ook de politiek betrokken.

Naar aanleiding van deze discussie stelde Curry in 1966 een verklaring op die bestond uit de volgende vijf punten:
  1. De massieve vorm van de boom maakte het nemen van boormonsters "problematisch".
  2. Een volledige dwarsdoorsnede is het best geschikt om onvolledige groeilagen in beeld te brengen
  3. Alleen een volledige dwarsdoorsnede zou hem in staat stellen om de gemiddelde breedte van de afzonderlijke groeilagen vast te stellen.
  4. Het verkrijgen van zo volledig mogelijke monsters van een dergelijke oude boom beschouwde hij als uiterst belangrijk voor zijn onderzoek.
  5. Hij geloofde dat er indertijd geen redenen waren om aan te nemen dat deze specifieke boom de oudste in de wereld zou kunnen zijn.


De controverse over WPN-114 werd vervolgens gericht op de volgende vragen: Wie is eigenaar van deze bomen? Hoe kan hun waarde worden beoordeeld? Mogen wetenschappers oude bomen omhakken voor onderzoek? Wat is de rol van de Forest Service hierin?
Uiteindelijk is het kappen van WPN-114 een belangrijke factor geweest voor de bescherming van Pijnbomen en met name de exemplaren bij Wheeler Peak. Het gebied heeft inmiddels de status van National Park.

Delen van WPN-114 zijn terug te vinden op diverse plaatsen, waarvan sommige publiekelijk toegankelijk zijn. Onder andere in het bezoekerscentrum van het Great Basin National Park, the University of Arizona Laboratory of Tree-Ring Research en het US Forest Service's Institute of Forest Genetics.

Tot op heden is er geen andere boom gevonden met een hogere leeftijd dan WPN-114...
Marcel van den Berg
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



Van bomen en de dingen die voorbij gaan
Vriend Boom en ik hadden weer een gesprek. "Heb je dat ook niet af en toe", vroeg ik hem, "dat je bepaalde dingen aan jezelf zou willen veranderen?" Boom schudde zijn takken heen en weer, een teken dat hij nadacht. Een paar bladeren vielen op de grond. "Je bedoelt dat ik zou willen dat m'n takken wat dunner of dikker zouden zijn of dat mijn bladeren een andere vorm zouden moeten hebben?", vroeg hij uiteindelijk. "Inderdaad, zoiets." Hij schudde bedachtzaam het hoofd.

"Ik kan me niet heugen dat ik daar ooit bij heb stilgestaan", zei hij. "Maar er bestaat een verhaal van een boom die dat soort gedachten wel had. Hij leefde in een bos hier niet zo ver vandaan en toen hij van twijg was uitgegroeid tot een flinke boom, kreeg hij op een dag een slanke berk in de gaten die aan de overkant stond. Vanaf dat moment leek het wel alsof hij bezeten was van de mooie vormen van de berk, hij zaagde maar door over de slanke vormen en de elegante bewegingen. We werden er allemaal nogal moe van, kan ik je vertellen." Boom zweeg. "Ja, en toen?", vroeg ik ongeduldig, "wat gebeurde er verder?" "We probeerden hem allemaal ervan te overtuigen dat hij goed was zoals hij was, dat het nou eenmaal niet de bedoeling is dat we er allemaal precies hetzelfde uitzien." "Dat had zeker geen effect?", vroeg ik. Boom keek mij even aan en ik kon hem bijna horen denken. "Dat klopt", vervolgde hij zijn verhaal. "Het werd nog erger toen hij op een gegeven moment zichzelf kon zien in het beekje dat zich vlak naast hem bevond. De hele dag maakte hij zich druk over zijn buitenkant waardoor hij als het ware vergat te leven. Het gevolg was dat hij er steeds slechter uit ging zien, zijn bladeren verloren langzaam hun glans en kleur.".

"Wat is er van hem geworden?", vroeg ik nieuwsgierig. "Het werd herfst en zijn bladeren vielen van hem af. De bladeren bedekten het beekje en hij kon zichzelf niet langer zien. Hij werd tegen wil en dank geconfronteerd met de naakte waarheid: zichzelf. Zijn aandacht verplaatste zich van de buitenkant naar de binnenkant, want het zou niet lang meer duren voordat de winter zijn intrede zou doen en hij moest zien te overleven. Dat zat nou eenmaal in zijn natuur." Ik kon als het ware de wijze glimlach zien die door de woorden van Boom heenklonk. "Toen het weer lente werd, was hij de berk allang weer vergeten. Hij was trots op de hernieuwde kracht van zijn grove takken en op zijn glanzend groene bladeren. Vanaf dat moment stond hij alleen maar zichzelf te wezen in dat bos."

"Mooi verhaal", zei ik peinzend. "Ik heb het toch al vaker gezegd", grinnikte Boom. "Groen is geen kleur, het is een zienswijze." En hij strooide vrolijk nog wat bladeren in het rond.
Claudia Mulder
(bron: http://www.poetryalive.nl)

^^ Terug naar boven                     



Ba Anansi en de Moeder van het Bos
"Er tin tin", zeggen we in Suriname; Hollanders zeggen : "Heel lang geleden". Dit verhaal wordt al lang in Suriname verteld dus het begint zo:

Er tin tin voerde Ba Anansi, Broer Spin, niets uit en zijn vrouw Sa Akoeba, (Zuster Akoeba), kon hem onmogelijk onderhouden. Akoeba gaf de gulzige Anansi net genoeg te eten om hem in leven te houden, want zij moest ook nog haar drie kinderen behoorlijk voeden.

Anansi had voortdurend honger en dit akelige gevoel maakte hem diep ongelukkig. Klagend liep hij in huis rond, maar Akoeba stoorde zich er niet aan. Zij zei dat hij blij mocht zijn met wat hij van haar kreeg. “De meeste vrouwen zetten hun luie man gewoon op straat. Alleen zij die werken, hebben recht op goed eten. Als je niet tevreden bent, staat de deur voor je open,” aldus Sa Akoeba. Op een morgen zat Broer Anansi onder een grote kankantri-boom in het bos te huilen van verdriet, toen hij een schel gefluit hoorde en een vreemdsoortig wezen met recht overeind staande haren zag aankomen. Het was Boesimama, de Moeder van het Bos, die op haar ene been ronddraaide als een tol en zo bliksemsnel naderde. In een oogwenk stond Boesimama voor hem stil, waardoor het gefluit van de wind om haar lichaam ophield, terwijl de lange losse haren over haar gelaat vielen en het bedekten als een sluier. De Moeder van het Bos vroeg Anansi wat er aan de hand was en hij stortte zijn hart bij haar uit.

Boesimama vond hem zielig en zij begon weer te tollen en wenkte Anansi om haar te volgen. Zij leidde hem naar een wonderbare boom, waarvan de takken beladen waren met zakken vol eten en sprak: “Je mag dagelijks drie zakken eten van deze boom afslaan. Dat is genoeg om nooit meer honger te lijden. Heb je goed geluisterd? Als je meer dan drie zakken probeert te nemen, zul je ontdekken dat ze allemaal als bij toverslag leeg zijn.” Toen verdween Boesimama even snel als zij verschenen was.

Ba Anansi nam drie takken die onder de wonderboom lagen en daarmee sloeg hij de zakken eraf. De eerste zak bevatte een smakelijk ontbijt; de tweede een lekker middagmaal en de derde heerlijk avondeten. Anansi droeg de drie zakken naar huis, waar hij met veel lawaai binnentrad en alles voor zich op tafel plaatste. Hij had besloten dat hij al dat lekkere eten alleen zou opsmullen en dat zijn vrouw en kinderen de vuile borden mochten schoonlikken. Maar het ging anders toe dan Ba Anansi gedacht had. Voordat hij wist wat er gebeurde, hadden zijn vrouw en kinderen het voedsel verslonden en kreeg hij de vuile borden voor zijn neus. Dat doe ik niet meer, dacht Ba Anansi, en de volgende dag ging hij naar de wonderboom, sloeg de zakken eraf en at alles, ontbijt, middagmaal en avondeten, onder de boom op.

Thuis zei hij dat de wonderboom maar voor één keer eten had gegeven, dat er niets meer was. Zuster Akoeba geloofde Anansi echter niet, want hij liet elke dag het bordje eten staan dat zij hem voorzette en hij werd toch steeds dikker. Op een morgen zei zij tegen haar kinderen dat zij Anansi stiekem moesten volgen. Toen Ba Anansi bij de wonderboom aankwam en de zakken eraf sloeg, sprongen zij te voorschijn. Zij grepen de gevulde zakken en snelden hiermee naar hun moeder. Ba Anansi zette de kinderen achterna, maar kon hen niet pakken. Die dag leed hij honger, want Akoeba en de kinderen smulden weer al het eten op.

De volgende dag ging Sa Akoeba met haar kinderen naar de wonderboom. De kinderen sloegen er drie zakken eten af, maar Akoeba was daarmee niet tevreden, zij wilde meer hebben. Haar oudste zoon probeerde in de boom te klimmen en op dat moment toverde de boom alle zakken weg, ook die reeds op de grond lagen. Teleurgesteld verlieten de gulzige vrouw en de kinderen het bos. Onderweg kwamen zij Ba Anansi tegen die op weg was naar de wonderboom. Ze zeiden hem niets.

Bij de wonderboom zag Anansi dat alle zakken verdwenen waren en hij begreep direct wat er gebeurd was. Hij ging terug naar de grote kankantri en daaronder ging hij weer een potje zitten huilen. Het duurde niet lang of Boesimama kwam aangetold om hem te vragen wat eraan scheelde. Anansi vertelde haar alles. Toen gaf zij hem een eetkalebas en zei: “Deze kalebas is met obia, zwarte kunst, bewerkt en zal je driemaal per dag eten geven. Je hoeft hem slechts te zeggen wat je lust en hij zal het je geven. Je moet de kalebas na elke maaltijd schoonwassen, anders houdt hij ermee op. Hierna ijlde Boesimama fluitend weg, terwijl Ba Anansi met de eetkalebas naar huis ging. Eenmaal thuis kroop hij achter een grote klerenkist in zijn woonkamer om er stiekem van zijn eten te gaan genieten. Hij beval de kalebas op gedempte toon: “Mijn kalebas, geef mij een lekkere kippensoep.” De eetkalebas vulde zich bliksemsnel met de soep.

Ba Anansi smikkelde en smulde en daarna waste hij zijn kalebas netjes schoon en verborg hem onder de etenskast. Vervolgens wandelde hij ongemerkt de deur uit, vastbesloten niets van dit alles aan de anderen te vertellen. Maar toen Anansi”s dochtertje het huis moest bezemen, vond zij de eetkalebas onder de etenskast. Sa Akoeba zette de kalebas op tafel.

Toen Ba Anansi thuiskwam, schrok hij geweldig toen hij de kalebas op tafel zag en hij maakte een enorme drukte: “Waarom zet je mijn dingen op tafel?” “Waarom verstop je jouw dingen?” wilde Akoeba weten. “Dat gaat je niets aan,” zei Anansi en hij liep met zijn kalebas weg en verborg hem in de klerenkist. Achter die kist at hij driemaal per dag de maaltijden van de kalebas.

Op een dag gingen de kinderen verstoppertje spelen, en een van hen kroop in de grote klerenkist, waarachter Ba Anansi juist zat te ontbijten. De jongen kon duidelijk verstaan wat Anansi bij zijn eetkalebas bestelde. Zodra Anansi het huis uit was, sprong de kleine Anansi uit de kist om zijn moeder alles te vertellen. Sa Akoeba legde beslag op de eetkalebas, die zij precies zo toesprak als Ba Anansi: “Mijn kalebas, geef mij een lekkere kippensoep.” De toverschaal bracht direct vier borden kippensoep.

Toen zij die op hadden, zei Akoeba: “En nu graag vier porties bruine bonen met rijst.” O je, ze had hem niet afgewassen. Onmiddellijk verloor de eetkalebas alle toverkracht.

Bij zijn terugkomst zag Anansi de bedorven kalebas op de vloer liggen. Wat was hij kwaad! Hij trapte het waardeloze ding stuk en verliet zijn woning. Huilend van woede zat Ba Anansi even later weer onder de grote kankantri, maar de Moeder van het Bos deed alsof zij niets zag of hoorde. Ongeduldig riep Anansi een paar keer achter elkaar: “Boesimama, Boesimama, kom mij toch helpen!” Met een woedend gefluit kwam de Moeder van het Bos aanzetten. Zij zweepte Anansi met haar lange haren om zijn oren, tot hij van pijn flauwviel. Daarna tolde zij weg. Toen Ba Anansi bijkwam, wilde hij niets meer van zijn vrouw en kinderen weten, want volgens hem was het hun schuld dat de Moeder van het Bos hem had geslagen. Hij besloot naar het bos te verhuizen en daar woont hij nu bij de familie Bosspin.
Verhalenverteller Marijn Swarte
(bron: Volksverhalen uit Kleurrijk Nederland)

^^ Terug naar boven                     



De man die bomen plantte
Om vast te stellen of het karakter van een menswerkelijk buitengewone kwaliteiten vertoont, moet je het geluk hebben zijn daden gedurende lange jaren te kunnen waarnemen. Als deze daden vrij zijn van elk egoïsme, als de achterliggende gedachte van een buitengewone edelmoedigheid is, als het absoluut vaststaat dat daarbij niet gestreefd is naar enige vorm van beloning en ze bovendien nog zichtbare sporen op de wereld heeft achtergelaten, dan sta je, zonder dat vergissen mogelijk is, tegenover een onvergetelijk karakter.

Het is ongeveer veertig jaar geleden dat ik een lange voettocht maakte over de bij toeristen absoluut onbekende hoogvlakten in dat zeer oude deel van de Alpen, daar waar deze de Provence binnendringen. Die streek wordt in het zuidoosten en het zuiden begrensd door de middenloop van de Durance tussen Sisteron en Mirabeau; in het noorden door de bovenloop van de Drôme, van de bron tot aan Die; in het westen door de vlakten van het graafschap Venaissin en de uitlopers van de Mont Ventoux. Ze omvat het gehele noordelijke gedeelte van het departement Neder-Alpen het zuiden van de Drôme en een kleine enclave van de Vaucluse. Het waren, op het moment dat ik mijn lange wandeltocht in die woestenijen begon, kale en eentonige velden op een hoogte van twaalfhonderd tot dertienhonderd meter. Er groeide niets anders dan wilde lavendel. Ik trok door dat land over de grootste breedte en na drie dagen lopen bevond ik me in een weergaloze verlatenheid. Ik sloeg mijn kamp op naast het geraamte van een verlaten dorp. Sinds de vorige avond had ik geen water meer en ik moest dat zien te vinden. Die dicht opeen staande huizen, hoewel vervallen als een oud wespennest, deden me bedenken dat zich daar ooit een bron of een put bevonden moest hebben. En er was ook bron, maar opgedroogd. De vijf of zes huizen zonder dakbedekking, aangevreten door regen en wind, en de kleine kapel met de ingestorte klokkentoren, stonden bijeen als de huizen en kapellen in levende dorpen, maar elk leven was eruit verdwenen.

Het was een mooie junidag met een stralende zon, maar over die onbeschutte, hoog in de hemel liggende velden blies de wind met ondraaglijke meedogenloosheid. Zijn gekreun door de geraamten van de huizen was als dat van een in zijn maaltijd gestoord wild dier. Ik moest mijn kamp opbreken. Na vijf uur lopen vandaar had ik nog steeds geen water gevonden en niets kon me de hoop verlenen het aan te treffen. Alom heerste dezelfde dorheid met dezelfde houtachtige planten. Ik meende dat ik in de verte een klein, donker, rechtopstaande gestalte waarnam. Ik hield die voor de stam van een eenzame boom. Op goed geluk liep ik erheen. Het was een herder. Een dertigtal schapen lag op de gloeiende grond naast hem te rusten. Hij liet me uit zijn veldfles drinken en wat later nam hij me mee naar zijn herdershut in een plooi van de hoogvlakte. Hij putte zijn -voortreffelijke- water uit een zeer diepe, natuurlijke put waarboven hij een primitieve windas geïnstalleerd had. Die man sprak weinig. Dat is gebruikelijk bij hen die eenzaam leven, maar je voelde dat hij zeker was van zichzelf en vol vertrouwen in zijn zelfverzekerdheid. Dat was merkwaardig in dat van alles beroofde land. Hij woonde niet in een hut, maar in een echt stenen huis waaraan je heel goed af kon zien hoe zijn persoonlijke inspanningen de ruïne hersteld hadden die hij bij zijn komst daar moest hebben aangetroffen. De wind die ertegen blies maakte op de dakpannen het geluid van de zee op de stranden.

Zijn huishouden was ordelijk, zijn vaat gewassen, zijn vloer aangeveegd, zijn geweer ingevet; zijn soep pruttelde boven het vuur; het viel me verder op dat hij ook pas geschoren was, dat al zijn knopen stevig vastgenaaid zaten en dat zijn kleren versteld waren met de minutieuze zorg die het verstelwerk onzichtbaar maakt. De herder liet mij mee-eten van zijn soep en toen ik hem na het maal mijn tabakszaak aanreikte, zei hij me dat hij niet rookte. Zijn hond, al even stil als hij, was waakzaam zonder vals te zijn. Het had onmiddellijk vanzelf gesproken dat ik er de nacht zou doorbrengen; het meest nabije dorp lag nog anderhalve dag lopen verder. En bovendien wist ik heel goed hoe de zeldzame dorpjes in deze streek waren. Het zijn er vier of vijf, ver van elkaar verspreid over de flanken van deze hoogten, in het eikenhakhout aan het uiterste einde van de berijdbare wegen. Ze worden bewoond door houtskoolbranders. Het zijn plaatsen waar het slecht leven is. De gezinnen, dicht opeen gepakt in dit klimaat dat zowel ‘s zomers als ‘s winters van een uiterste grimmigheid is, drijven er in hun afzondering egoïsme tot het uiterste. De onberedeneerde ambitie is er onbegrensd in het voortdurende verlangen aan het oord te ontkomen. De mannen brengen met hun wagens de houtskool naar de stad en komen dan weer terug. De allerbeste menselijke kwaliteiten gaan ten onder in deze voortdurende wisseling van kansen. De vrouwen broeden er hun verbittering uit. Er heerst wedijver over alles, zowel over de verkoop van houtskool als over de kerkbank, over de deugden die met elkaar wedijveren, over die algehele, rusteloze mengeling van deugden en ondeugden. En daarboven prikkelt de wind er al even rusteloos de zenuwen. Er zijn zelfmoordepidemieën en talloze gevallen van waanzin, meestal met dodelijke afloop.

De herder, die niet rookte, haalde een zakje en stortte op de tafel een hoop eikels uit. Hij begon die zeer aandachtig, stuk voor stuk, te onderzoeken en scheidde de goede van de slechte. Ik rookte mijn pijp. Ik stelde voor hem te helpen. Hij zei me dat hij het alleen moest doen. En inderdaad, toen ik zag met hoeveel zorg hij dat werkje deed, drong ik niet verder aan. Dat was al onze conversatie. Toen hij aan de goede kant een hoopje vrij grote eikels had, telde hij die uit in groepjes van 10. Terwijl hij dat deed legde hij de wat kleinere of degene die licht gespleten waren nog weer terzijde, want hij bestudeerde ze van heel dichtbij. Toen hij zo honderd volmaakte eikels voor zich had liggen, stopte hij en gingen we slapen.

Het gezelschap van die man bracht me rust. De volgende morgen vroeg ik hem toestemming nog een hele dag bij hem te mogen uitrusten. Dat vond hij heel vanzelfsprekend. Of beter gezegd hij gaf me de indruk dat hij door niets gestoord kon worden. Die rust had ik niet absoluut nodig, maar ik was geïntrigeerd en ik wilde er meer van weten. Hij liet zijn kudde los en leidde die naar de weidegrond. Voordat hij vertrok doopte hij het zakje waarin hij de zorgvuldig geselecteerde en uitgetelde eikels gedaan had, in een emmer water. Het viel mij op dat hij in plaats van een stok een duimdikke ijzeren staaf van anderhalve meter lengte meenam. Ik speelde de rol van iemand die een rustgevende wandeling maakt en volgde een pad dat evenwijdig aan het zijne liep. De weideplaats van zijn dieren bevond zich onder in een dal. Hij liet de kleine kudde over aan de hoede van de hond en klom omhoog naar de plek waar ik me bevond. Ik vreesde dat hij me mijn onbescheidenheid kwam verwijten, maar helemaal niet; dit was zijn weg en hij nodigde me uit met hem mee te komen indien ik niets beters te doen had. Ik liep tweehonderd meter hogerop, achter hem aan. Aangekomen op de verlangde plaats begon hij zijn ijzeren staaf in de bodem te steken. Zo maakte hij een gaatje, waarin hij een eikel legde, waarna hij het gat weer sloot. Hij plantte eiken. Ik vroeg hem of het zijn grond was. Hij zei van niet. Wist hij dan van wie die was? Dat wist hij niet. Hij veronderstelde dat het gemeenschapsgrond was, of misschien ook was ze het eigendom van mensen die zich er niet om bekommerde? Hij bekommerde zich er niet om de eigenaren te kennen. Zo plantte hij zijn 100 eikels met uiterste zorg. Na het middagmaal begon hij opnieuw zijn pootgoed te selecteren. Ik denk dat ik mijn vragen met tamelijk veel aandrang stelde, want hij gaf me antwoord. Sinds 3 jaar plantte hij bomen daar in die verlatenheid. Hij had er honderdduizend geplant. Van die honderdduizend waren er ongeveer twintigduizend opgekomen. Van die twintigduizend dacht hij nog eens de helft te verspelen door de aanwezigheid van knaagdieren of door alles wat onmogelijk te voorzien was in de voornemens van de Voorzienigheid. Bleven er dus tienduizend eiken over, die zouden groeien op die plaats waar voorheen niets groeide. Op dat moment vroeg ik me af hoe oud deze man was. Hij was zichtbaar ouder dan vijftig. Vijfenvijftig, zo zei hij mij. Hij heette Elzéard Bouffier. Hij was eigenaar van een boerderij op de vlakte geweest. Daar had hij zijn leven opgebouwd. Hij had zijn enige zoon verloren en daarna zijn vrouw. Hij had zich teruggetrokken in de eenzaamheid waar hij het genoegen smaakte van een traag leven met zijn schapen en zijn hond. Hij had vastgesteld dat dit land ten onder ging door gebrek aan bomen. Hij voegde eraan toe dat hij, omdat hij niets belangrijks te doen had, het besluit had genomen iets aan die stand van zaken te doen. Aangezien ik zelf op dat moment, ondanks mijn jeugdige leeftijd, een alleenstaand leven leidde, wist ik de ziel van alleenstaande tactvol te benaderen. Maar toch beging ik een fout. Het was juist mijn jeugdige leeftijd die me ertoe bracht de toekomst in samenhang met mezelf te zien en met het zoeken naar een zeker geluk. Ik zei hem dat die tienduizend eiken over dertig jaar prachtig zullen zijn. Hij antwoordde me eenvoudig dat als God hem liet leven, hij er over dertig jaar nog zoveel bijgeplant zou hebben dat die tienduizend zouden zijn als één waterdruppel in de zee. Hij bestuurde overigens al de voortplanting van beuken en vlak bij zijn huis had hij een uit beukennootjes opgekomen kweektuin. De moederstammen, die hij met een hekwerk tegen zijn schapen beschermd had, waren bijzonder fraai. Hij dacht verder aan berken voor de dalen waar, zo zei hij mij, een paar meter onder de oppervlakte een zekere vochtigheid aanwezig was. De volgende dag gingen we uiteen.

Het jaar daarop begon de Eerste Wereldoorlog, van 1914 tot 1918, waarbij ik vijf jaar lang betrokken was. Een infanteriesoldaat kon daarin nauwelijks aan bomen denken. Om eerlijk te zijn: de zaak zelf had geen sporen in me achtergelaten; ik had het beschouwd als een stokpaardje, een postzegelverzameling, en vergeten. Uit de oorlog terug wist ik mij eigenaar van een uiterst geringe demobilisatiepremie, maar met het grote verlangen wat zuivere lucht te gaan inademen. Zonder vooropgezette bedoeling -behalve die ene- trok ik weer naar die verlaten gebieden.

Het land was niet veranderd. Maar toch zag ik voorbij het verlaten dorp in de verte een soort grijze nevel die de hoogten als een tapijt bedekte. Sinds de vorige dag was ik weer gaan denken aan die bomenplantende herder. “tienduizend eiken”, zei ik tegen mezelf, ”nemen echt wel een grote ruimte in beslag.”

Ik had in die vijf jaar voldoende mensen zien sterven om me de dood van Elzéard Bouffier gemakkelijk te kunnen voorstellen, temeer omdat je, op je twintigste, mannen van vijftig als bejaarden beschouwt voor wie alleen het sterven nog is weggelegd. Hij was niet dood. Hij was zelfs in blakende gezondheid. Hij was van beroep veranderd. Hij had niet meer dan vier schapen over, maar bezat daarentegen een honderdtal bijenkorven. Hij had zich ontdaan van de schapen, die een gevaar waren voor zijn bomenaanplant. Want, zo zei hij mij, (en ik kon dat ook voorstellen) hij had zich in het geheel niets van de oorlog aangetrokken. Hij was onverstoorbaar voortgegaan met planten. De eiken uit 1910 waren nu tien jaar oud en hoger dan hij en ik. Het was een indrukwekkende aanblik. Ik stond letterlijk sprakeloos en omdat hij ook niets zei, brachten we de dag in stilte door, wandelend in zijn woud. Het was, in drie percelen, elf kilometer lang en drie kilometer over de grootste breedte. Als je erbij stilstond dat alles was voortgekomen uit de handen en de ziel van deze man -zonder technische hulpmiddelen- begrijp je dat de mens even doelmatig zou kunnen zijn als God, op andere terreinen dan de vernietiging.

Hij had zijn gedachten uitgewerkt en de beuken, die tot mijn schouders kwamen tot waar het oog reikte, getuigden daarvan. De eiken waren stoer en voorbij de leeftijd waarop ze ten prooi konden vallen aan knaagdieren; en wat de voornemens van de Voorzienigheid zelf betreft, die zou om het tot stand gebrachte werk te vernietigen haar toevlucht tot wervelstormen moeten nemen. Hij liet me bekoorlijk groepjes berken zien die vijf jaar oud waren, dat wil zeggen uit 1915, uit de tijd dat ik in Verdun vocht. Hij had die gezet in alle dalen waarvan hij terecht gedacht had dat het er vlak onder de oppervlakte vochtig moest zijn. Ze waren aandoenlijk als pubers en zeer vastberaden. Het werk maakte overigens de indruk van dwangarbeid. Hij bekommerde zich daar niet om; hij zette zijn taak hardnekkig en zeer eenvoudig voort. Maar toen ik weer naar het dorp afdaalde zag ik water stromen in beekjes die sinds mensenheugenis altijd droog waren geweest. Het was de geweldigste kettingreactie die mij ooit onder ogen gekomen was. Die opgedroogde beken hadden vroeger, in zeer oude tijden, water verplaatst. Sommige van die trieste dorpen waarover ik in het begin van mijn verhaal verteld heb, waren gebouwd op de plaats van oude Gallo-Romaanse nederzettingen waarvan nog sporen aanwezig waren. Archeologen hadden daarin gewroet en hadden vishaakjes gevonden op plaatsten waar de mens in de twintigste eeuw zijn toevlucht moest nemen tot regenbakken, om nog een beetje water te hebben.

Ook de wind droeg bepaalde zaken aan. Tegelijk met het terugkerende water zouden de wilgen, de teenwilgen, terugkeren; de weiden, de tuinen, de bloemen en een bepaald leefklimaat. Maar de transformatie ging zo langzaam dat ze gewoon werd zonder enige verwondering te wekken. Jagers die op zoek naar hazen of everzwijnen opklommen naar de hoogten, hadden wel een uitzaaiing van jonge boompjes vastgesteld, maar die hadden ze op rekening geschreven van de natuurlijke grillen van de aarde. Daarom tastte niemand het werk van die man aan. Als ze hem ervan verdacht hadden, zou hij tegengewerkt zijn. Maar hij viel buiten elke verdenking. Wie zou zich in de dorpen of bij de overheden een dergelijke hardnekkigheid in de hoogste edelmoedigheid kunnen voorstellen. Vanaf 1920 heb ik Elzéard elk jaar opgezocht. Ik heb hem nooit zien verflauwen of vertwijfelen. Alleen God weet of God hem er zelf toe dreef! Ik heb de stand van zijn teleurstellingen niet bijgehouden. Maar het is wel duidelijk dat, om iets zo tot een geslaagd einde te brengen, je heel wat tegenslagen moet overwinnen; dat je, om een dergelijke hartstocht te doen overwinnen, met veel wanhoop hebt moeten worstelen. Hij had, gedurende een bepaald jaar, meer dan tienduizend esdoorns geplant. Ze gingen allemaal dood. Het jaar daarna liet hij de esdoorns vallen en ging hij verder met beuken, die het zelfs nog beter deden dan de eiken.

Om een min of meer nauwkeurig beeld te krijgen van dat buitengewone karakter dien je niet te vergeten dat hij in totale eenzaamheid werkte, zo totaal dat hij tegen het einde van zijn leven zijn spraakvermogen verloren had. Of zag hij er misschien de noodzaak niet meer van in?

In 1933 kreeg hij bezoek van een stomverbaasde houtvester. Deze functionaris gelastte hem buiten geen vuur te maken, uit vrees dat hij daarmee de groei van dat ‘natuurlijk woud’ in gevaar zou brengen. Het was voor het eerst, zo zei deze naïeve man hem, dat een woud zo maar vanzelf opgekomen was. In die tijd ging hij beuken planten op twaalf kilometer van zijn huis. Om niet voortdurend heen en terug te moeten –want hij was toen al vijfenzeventig jaar- was hij van plan een stenen hut te bouwen op de plaats van zijn aanplant. En dat deed hij het jaar daarop dan ook. In 1935 kwam een echte overheidsdelegatie het ‘natuurlijke woud’ inspecteren. Er was een hoge pief van StaatsBosBeheer bij, een kamerlid en deskundigen. Er werden vele nutteloze woorden uitgesproken. Er werd besloten iets te doen en gelukkig werd er niets gedaan, behalve dan het enige zinvolle; het woud werd onder StaatsBosBeheer gebracht en de aanmaak van houtskool werd erin verboden. Want je moest wel geboeid zijn door de schoonheid van die jonge, kerngezonde bomen. Het kamerlid zelf werd erdoor verleid. Ik had een vriend onder de opperhoutvesters die tot de delegatie behoorden. Hem legde ik het mysterie uit. Op een dag in de week daarop gingen we samen op zoek naar Elzéard Bouffier. We vonden hem terwijl hij hard aan het werk was op twintig kilometer van de plaats waar de inspectie had plaatsgevonden. Die opperhoutvester was niet voor niets mijn vriend. Hij kende de waarde van de dingen. Hij wist zijn mond te houden. Ik bood de paar eieren aan die ik als cadeautje had meegenomen. We deelden het brood met z’n drieën en er gingen een paar uren voorbij in de zwijgende beschouwing van het landschap. De helling waarvan wij gekomen waren was overdekt met bomen van zes, zeven meter hoog. Ik herinnerde me hoe het land er in 1913 had uitgezien; de woestenij… … Het vredige en regelmatige werk, de ijle lucht van de hoogvlakte, de matigheid en vooral de zielenrust hadden deze grijsaard een welhaast plechtstatige gezondheid geschonken. Hij was een atleet van God. Ik vroeg me af hoeveel hectaren hij nog met bomen zou bedekken.

Alvorens te vertrekken deed mijn vriend eenvoudig en kort een suggestie over bepaalde boomsoorten die het op de bodem daar goed zouden kunnen doen. Hij drong niet aan. ”Om de eenvoudige reden”, zei hij me later, “dat de brave man er meer van weet dan ik”. Na een uur gelopen te hebben –waarin de gedachte dieper tot hem doorgedrongen was- voegde hij eraan toe: “Hij weet er veel meer van dan iedereen. Hij heeft een geweldige manier gevonden om gelukkig te zijn!”

Het is dankzij die opperhoutvester dat niet alleen het woud, maar ook het geluk van die man beschermd werd. Hij liet drie houtvesters voor die bescherming benoemen en hij hield de wind er zo onder dat ze ongevoelig bleven voor alle steekpenningen die de houthakkers hen wilden aanbieden. Het project liep alleen ernstig gevaar in de Tweede Wereldoorlog. De auto’s liepen toen op gasgenerators en er was nooit genoeg hout. Ze begonnen te kappen in de eiken uit 1910, maar het ligt daar zo ver van alle berijdbare wegen dat de onderneming in financieel opzicht zeer slecht bleek uit te pakken. Ze stopten er weer mee. De herder had er niet eens iets van gemerkt. Hij bevond zich dertig kilometer verderop en ging rustig verder met zijn arbeid, waarbij hij de Tweede Wereldoorlog net zo aan zich voorbij liet gaan als hij dat met de Eerste gedaan had.

Ik had na de Tweede Wereldoorlog weer de weg naar de wildernis genomen, maar nu ging er, ondanks de ontreddering waarin de oorlog het land had achtergelaten, een autobus die de dienst tussen het dal van de Durance en de bergen onderhield. Het feit dat ik de plaatsten van mijn vroegere voettochten niet meer herkende, schreef ik op rekening van het verhoudingsgewijs snelle transportmiddel. Het kwam me ook voor alsof de gekozen weg me langs nieuwe plaatsen voerde. Pas de naam van een dorp overtuigde me ervan dat ik wel degelijk in die vroeger zo geruïneerde en verlaten streek bevond. De bus zette me af in Vergons. In 1913 had dit gehucht van tien tot twaalf huizen maar drie inwoners. Ze waren wild, hadden een hekel aan elkaar, leefden van de vallenjacht; zo ongeveer in de morele en fysieke staat van de prehistorische mens. Onkruid verwoestte de verlaten huizen om hen heen. Hun levensomstandigheden waren hopeloos. Ze konden niet anders dan wachten op hun dood; een situatie die de deugdzaamheid nauwelijks ten goede komt. Inmiddels was alles veranderd. De lucht zelfs; in plaats van de droge en harde rukwinden die mij er vroeger opwachtten, woei er nu een zachte, met geuren bezwangerd briesje. Een geluid dat klonk als dat van water daalde van de hoogten neer; Dat was dat van de wind in de wouden. En het meest verbazingwekkende tenslotte: ik hoorde het ware geluid van water dat in een bekken stroomde. Ik zag dat er een bron gemaakt was, dat deze ruimschoots vloeide en -wat me het meest aangreep- dat er vlakbij een linde geplant was, die al een jaar of vier oud moest zijn en al zwaar begon te worden, als het onweerlegbare symbool van een wederopstanding. Overigens droeg Vergons de sporen van een werk waarvoor je, om er aan te beginnen, hoop moet koesteren. De hoop was dus weergekeerd. Ze hadden er de bouwvallen opgeruimd, de half ingestorte muren neergehaald en vijf huizen gebouwd. Het gehucht telde van toen af aan achtentwintig inwoners, waaronder vier jonge gezinnen. De nieuwe huizen, pas gepleisterd, werden omringd door moestuinen waarin, door elkaar maar op rijtjes, groenten en bloemen groeiden, kool en rozenstruiken, prei en leeuwenbekjes, selderij en anemonen. Voortaan was het een plekje waar je graag zou willen wonen. Vanaf daar ging ik dus verder te voet. De oorlog, die we nog maar nauwelijks achter de rug hadden, had de volledige ontluiking van het leven nog niet toegestaan, maar Lazarus was uit het graf opgestaan. Op de lagere hellingen van de berg zag ik kleine akkers gerst en rogge in bloei staan. Diep in nauwe dalen kleurden enkele graslanden zich groenblauwig. Er was niet meer voor nodig dan de acht jaar die ons nu van die tijd scheiden, of dat hele land blaakte van gezondheid en welbehagen. Op de plaats van de ruines die ik in 1913 had aangetroffen, rijzen nu hygiënische, goedgepleisterde boerderijen op, die op een gelukkig en gerieflijk leven duiden. De oude bronnen, gevoed door de regen en de sneeuw die door de wouden vastgehouden wordt, zijn weer begonnen te stromen. Het water eruit is gekanaliseerd. Naast elke boerderij stromen de fonteinbekkens tussen de esdoornbosjes over een tapijt van groene munt. De dorpen zijn langzaamaan herbouwd. Een bevolking die van de vlakte gekomen is, waar de grond duur is, heeft zich in de streek gevestigd, er jeugd en beweging gebracht en gevoel voor avontuur. Op de wegen kom je er goed doorvoede mannen en vrouwen tegen, jongens en meisjes die weten wat lachen is en de smaak voor boerenfeesten weer te pakken hebben gekregen. Als je de oude, nu het leven zoveel gerieflijker is, onherkenbaar geworden bevolking en de nieuwkomers bij elkaar optelt, hebben meer dan tienduizend mensen hun geluk aan Elzéard Bouffier te danken. Als ik bedenk dat één enkele man, met niet meer dan zijn eigen fysieke en morele hulpbronnen, voldoende is geweest om dit Land van Belofte uit de woestenij te doen rijzen, vind ik dat, ondanks alles, het menszijn iets bewonderenswaardigs heeft. Maar als ik reken wat er allemaal voor nodig geweest is aan trouw, zielegrootheid en edelmoedigheid, om dit resultaat te bereiken, dan voel ik een reusachtig respect voor die oude boer zonder enige culturele achtergrond, die dit Godwaardige werk tot een goed einde wist te brengen.

Ik heb Elzéard Bouffier in juni 1945 voor het laatst gezien. Hij was toen zevenentachtig jaar. Hij was van de hoogten afgedaald. Hij had zijn werk achtergelaten, maar als een man die recht heeft op rust en van dat recht gebruik wil maken. Hij was opgenomen in een gasthuis in de hoofdstad van de streek, Banon. Maar de bergstreken zijn zeer arm, de hoofdsteden zijn er niet rijk, bejaardenhuizen in die hoofdsteden zijn geen luxe oorden. Ze zijn schoon, er staan bedden, ze zijn verwarmd, er is voedsel, maar in dat waarin ik de herder heb teruggevonden was nog iets anders. Het stond tegen de flank van de heuvel tegenover de berg waarop het gehele bos zich uitspreidde. Hij had er een prachtig uitzicht op de eiken uit 1910, de beuken uit 1913 en de berken uit 1915, op heel dat grootse werk!!

Toen mij gevraagd werd welke persoonlijkheid ik nooit had kunnen vergeten, heb ik onmiddellijk aan de herder gedacht. Tegelijk besefte ik dat ik zijn naam niet meer wist. Ik kende alleen zijn voornaam nog: Elzéard. Dat was aanleiding voor nog een reis naar het gasthuis in de bergen. Het was hoogzomer en twintig kilometer voor ik er aankwam zag ik hoe boven de heuvels zich de met wouden bekroonde bergen verhieven. Ze waren nog dichtbegroeider en groter geworden. Mijn vriend, de opperhoutvester had me een paar dagen daarvoor verteld dat het woud een kadastrale naam zou krijgen; hetgeen voor een woud gelijkwaardig is aan de adelstand voor een edelman.

Ik vroeg de non die mij de vorige keer ontvangen had, naar Elzéard. Ze liet me weten dat Elzéard de voorafgaande winter overleden was in de leeftijd van tweeënnegentig jaar. Gestorven, zo zei ze mij, zonder enige lijden en in alle rust. Ook zij kende zijn naam niet. Ze zou darvoor de moeder-overste hebben moeten raadplegen en ongetwijfeld er een register op moeten naslaan. Deze nieuwsgierigheid leek mij zinloos.
Jean Giono
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



Uiterlijk zegt niet alles
Lukas keek nog één keer over zijn schouder. Achter hem lag de woeste toendra en hij kon de ruiters al op een uur afstand zien. Een grote stofwolk vertelde hem exact waar ze zich bevonden. Als hij op de toendra bleef zouden ze hem zeker te pakken krijgen. Langzaam draaide hij zich om en keek tegen de dichte muur van bomen aan. Het donkere bos strekte zich mijlenver uit. Zijn moeder had hem vele verhalen over dit bos verteld. Het was vervloekt en er was nog nooit iemand levend uitgekomen. Niemand die hij kende had het ooit aangedurfd om het bos in te gaan. Volgens de legende woonde er een slechte tovenaar die niet van mensen hield. Hij was bang maar zette de eerste stap tussen de bomen. Het was dit of een zekere dood. Na een paar voorzichtige stappen voelde hij hoe het bos zich om hem heen sloot. Hij kreeg het idee dat de bomen voor hem terugweken en achter hem weer dichter bij elkaar gingen staan. Hij keek om. Er was geen weg terug en een gevoel van onzekerheid bekroop hem. Hij was er wel zeker van dat de ruiters hem nooit meer zouden vinden...

Drie dagen liep hij nu al rond in het bos en hij had nog niemand gezien. Het leek alsof het bos uitgestorven was. Zelfs vogels of reeën was hij nog niet tegengekomen en die paar bessen hadden zijn honger ook niet gestild. Lukas stond stil en spitste zijn oren. Hij had het goed gehoord. Als een wildeman sprong hij over de dode bomen en door het dichte struikgewas en kwam bij het kleine stroompje. Hij ging op zijn buik liggen en proefde voorzichtig aan het water. Het was heerlijk koel en snel vulde hij zijn waterzak. Hij vouwde zijn handen en schepte het water op. Gulzig slurpte hij het naar binnen en schepte nog een keer op. Hij wilde nog een slok nemen toen hij voetstappen hoorde. Verschrikt draaide hij zich om. Dit moest de vreselijke oude tovenaar zijn. In de donkere schaduwen kon hij de gestalte van een mens ontdekken. Hij zag een hoge, gebroken puntmuts en een paar vuurschietende ogen.

Lukas was blij dat hij lag want anders hadden zijn knieën het vast begeven. De oude tovenaar stapte de cirkel van het licht binnen en keek om zich heen. “Goedemorgen jongen. Helemaal alleen?” Zijn stem klonk jong en helder. Die stem klonk ook vriendelijk. Lukas begon te stotteren. Hij moest wat zeggen want hij wist dat het onbeleefd was een vraag van tovenaars onbeantwoord te laten. Hij zou hem in een boom kunnen veranderen. “U bent de magi...?” “Tuurlijk.” De magiër legde zijn staf voorzichtig in het lange gras en ging naast Lukas op de grond liggen. Zijn lange baard viel in het water en Lukas sperde zijn ogen open. De punt van de baard die het water had geraakt was niet langer grijs maar vuurrood. De magiër keek hem vragend aan en volgde de blik van Lukas’ ogen en pakte verwonderd de punt van zijn baard vast. “Nou dat is toch wel heel bijzonder.” grinnikte de magiër. “Ik heet trouwens Sammuel, en jij?” “Lukas.”, zei Lukas. Hij begon zich wat meer op zijn gemak te voelen. Sammuel rommelde wat in een oude leren tas en haalde een bol tevoorschijn. Hij keek in de bol en hield zijn baard ervoor. Met de rode punt omhoog. “Lukas, zeg nou eens eerlijk. Dat is toch geen gezicht hè, zo’n rode punt.” Bereidwillig schudde Lukas zijn hoofd. Sammuel gooide zijn hoed naast zich neer en stak zijn hele hoofd onder water. Toen hij zijn hoofd omhoog trok schudde hij het krachtig heen en weer en het water spetterde Lukas om de oren. “Ik moet toch maar eens een watervaste verf zien te vinden.” zei Sammuel, meer tegen zichzelf dan tegen Lukas. Lukas keek ongelovig naar het gezicht van de oude magiër. Sammuel had een weelderige bos vuurrood haar en een paar heldere groene ogen. Hij had alleen geen rimpeltjes.

Uit zijn tas toverde Sammuel een lunchpakketje tevoorschijn en gaf Lukas ook een homp brood. “Ik snap dat je een beetje verlegen bent Lukas dus ik praat wel een eind weg. Het is ook al lang geleden dat iemand mij hier bezocht heeft. Een gezellige picknick kan ik me eigenlijk niet meer herinneren. Maar ja, dat krijg je als mensen verhalen gaan vertellen. Je hebt wel lef om hier zomaar mijn bos in te gaan.” “Ik moest wel. De ruiters van koning Isthaz zaten achter mij aan.” “Is die lapswans nog steeds aan de macht?” “Ja, al vierenzestig jaar.” “Dat had ik niet gedacht. Maar je hebt gelijk. Die gasten durven nooit het bos binnen te gaan.” Hij nam een flinke hap van zijn brood en kauwde stevig door. Een stevige slok uit zijn waterzak spoelde de kruimels weg. Opeens schoot zijn hoofd omhoog en hij keek schuin omhoog.

“Wat me opeens te binnen schiet... Waarom ben jij eigenlijk op de vlucht?” “Op een dag was ik de kerker aan het schoonmaken en toen ik een verkeerde gang in liep vond ik een oude draak in een kerker en daar heb ik mee zitten praten.” Sammuel wreef door zijn baard en grijnsde. “Een oude draak zei je?” “Ja meneer.” “Hoe zag die draak eruit?” “Nou, eens even kijken. Hij had een lange staart en twee vleugels. Het was een witte draak. Hij had ook allemaal schubben op zijn lijf en heel lange nagels.” Lukas dacht na over het uiterlijk van de draak. “Hij had ook heel grote neusgaten. Ik denk dat ik er wel een zak met goud in zou kunnen stoppen.” “Lukas wacht even. Alle draken hebben een staart en twee vleugels. Had deze draak toevallig een snor of een sik of een bril of iets anders?” Lukas trok zijn wenkbrauwen samen. Denkrimpeltjes verschenen op zijn voorhoofd. Hij ging op zijn rug liggen en sloot zijn ogen. Het was best wel donker geweest in die kerker, maar hij probeerde zich te herinneren hoe de draak eruit had gezien. “Ik kan me niet herinneren of hij een snor had.” Plotseling zag hij die stapel zakdoeken weer liggen. “Wacht even. Ik zag wel een hele stapel zakdoeken liggen. Ik denk dat hij aardig verkouden was. Heeft u daar iets aan?” “Jaaaa, natuurlijk. Ik ken maar één draak die altijd verkouden is, dat is Thisjew.” “Ja, zo heette hij. Dat zei hij al.” “Waarom zeg je dat dan niet meteen?” “U vroeg mij hoe die draak eruit zag.” “Dat is waar ook.”

“Meneer de magi... u bent eigenlijk best wel aardig.” “Tuurlijk, dat ben ik altijd al geweest, jongen” “Maar...” “Nee Lukas. Je moet nooit teveel geloof hechten aan verhaaltjes van mensen. Mensen zijn gewoon bang voor dingen die ze niet begrijpen. De alchimist van koning Isthaz is opgehangen omdat hij geen goud kon maken. Volgens de legende zou hij dat moeten kunnen en mensen begrijpen niet dat sommige dingen niet te begrijpen zijn. Begrijp je? “Eh nee.” “Ooooh...”

Sammuel ging tegen een groot rotsblok zitten en zakte onderuit. Hij nam een gulzige slok uit zijn waterzak en slikte. Een vrolijk boertje volgde. “Sorry, als je zo lang alleen bent vergeet je je goede tafelmanieren.” Lukas moest wel lachen om de tovenaar. Voorzichtig liet hij zelf ook een boertje. “Ja, jij bent nog jong Lukas. Lach maar. Toen ik jong was werkte ik aan het hof van koning Isthaz. Samen met Marlijn adviseerde ik de koning. Op een staatsbanket liet ik ook een boertje. Dat mocht niet en de gasten voelden zich beledigd. Ze eisten mijn dood. Toen ben ik ontslagen.” “En toen bent u hier heen gegaan?” “Yep.” “Maar u bent dus helemaal geen verschrikkelijke tovenaar?” “Nee, tuurlijk niet. Maar als koning Isthaz mij dood wil hebben kan ik hem wel aardig afschrikken. Een beetje as door een pasta gooien en je hebt een prima haarverf. Plotseling ben je een oude vreselijke tovenaar.” “Hoe zit het dan met die enge verhalen?” “De soldaten van Isthaz en ook die van zijn vader heb ik wel een lesje geleerd.” “En al die onschuldige mensen?” “Er zijn in mijn leven maar twee onschuldige mensen het bos in gekomen. De ene is van zijn paard gevallen toen hij tegen een laaghangende tak opreed en de ander is door een slang gebeten. Toen ik hem vond was hij al dood.” “Ooooh.” “Koning Isthaz voelde zich aardig op zijn nummer gezet toen zijn soldaten niet terugkwamen en ik denk dat hij bang was om af te gaan als een gieter. Zijn soldaten stonden bekend als de besten in het hele land.” “Omdat hij zijn reputatie kon verliezen heeft hij u dus zwart gemaakt?” “Ja, dat denk ik wel. Niemand wil zijn fouten toegeven. Hij kan het zich helemaal niet permitteren. Zijn vader had de troon met geweld ingepikt. Hun hele regering is gebaseerd op angst. Als de mensen doorkrijgen dat hij gewoon een domkop is, dan is hij binnen de kortste keren werkeloos.” “Oooooh....” “Erg intelligent antwoord, Lukas.” “Oooooh.”

“Net zoals Thisjew. Dat is een erg ongevaarlijk draak, maar dat weten de mensen niet. Isthaz heeft een heuse draak gevangen genomen. Wie is er nu bang voor een draak die geen vuur spuwt maar die zo verkouden is dat hij klodders snot spuwt?” “Dus daarom zit hij achter mij aan?” “Tuurlijk.” Sammuel stond op en liep het bos weer in. Voordat hij tussen de bomen verdween zei hij: “Ik ben dus een vriendelijke tovenaar en Isthaz stelt niets voor. Denk daaraan als je het koningschap wilt veroveren.” “Helpt u mij dan?” “Vraag maar aan Thisjew. Een klodder snot brandt niet goed maar laat wel een hoop soldaten uitglijden....”

Lukas keek nog lange tijd in de richting waarin de magiër was verdwenen. Dit was het vreemdste gesprek dat hij ooit had gehad. Toen hij zich omdraaide zag hij een koninklijk harnas naast een schitterend wit paard liggen. Hij dacht aan de laatste woorden van Sammuel. Zou hij koning moeten worden? Welgemoed klom hij op het paard en reed het bos uit. De bomen gingen voor hem opzij en toen hij de toendra opreed voelde hij hoe de betovering van hem afgleed. Wat was er toch allemaal gebeurd daarbinnen? Opeens was hij er zich van bewust dat koning Isthaz al vierhonderd jaar dood was... ...
onbekend, oude legende
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



Buiten
Het was helemaal niet kwaad omdat we zolang weggebleven waren. Sterker nog ik koester de groeiende overtuiging dat het al die bomen niks kan schelen of we komen. Ze hebben wel wat anders aan hun kop. De houthakkers. De herfst die komt en daarna ook nog de winter. De stormen die zullen opsteken, om de zwakke broeders te ontwortelen. En de helse bliksem, die zo behendig stammen splijten kan. Daar staan ze op te wachten heel stil en al wat donker van kleur. En we lopen over het slingerpaadje dat ons eens door een beroepskabouter is gewezen naar de plek waar we zo graag zitten en vinden er van alles bij het oude. Want dat is het fijne van zo’n bos het wemelt van zekerheden, waaraan je gehecht raakt.

De plek is een volmaakt decor voor een scène uit Tsjechovs “kerstentuin” dat aan mijn hart gebakken meesterwerk in halftonen. De ten ondergang gedoemde familie met stijl, doch zonder het geld om die stijl te financieren zit met de stokoude knecht en de enigszins geschifte gouvernante in net zo’n bostafereel. Ergens ver klinkt het geluid van een snaar die breekt. Zegt Tsjechov. Het zou zich hier best kunnen afspelen. Dat de scène aan het eind van de vorige eeuw geschreven werd doet er niets toe.

Bossen gaan niet met hun tijd mee. Dat is ook zo aardig van ze, vind ik. Bij de omgevallen stam waarop we altijd zitten, ligt al jaren en jaren een rond stuk hout en een van ’n boom afgezaagde plak. Als we een poos niet in het bos zijn geweest, ben ik altijd nieuwsgierig naar de voorstelling die er op te zien valt. Want de seizoenen maken er hun notities op. In de zomer droogt de zon het hout uit. Dan kun je, als creatieve toeschouwer, van alles zien in de ragfijnen tekening der nerven. Nu heeft de naderende herfst die nerven grotendeels verborgen achter grillige, zwarte vlekken die voor mij duidelijk een stoet in het halfduister lopende mensen tonen. ‘Ze weten niet waar ze heen moeten, zie je wel?’ zeg ik tegen mijn vrouw ’t zijn vluchtelingen’ ‘doe me een lol en ga nu ook nog niet de voorpagina op het bos projecteren’ antwoordt ze. ‘het is gewoon een stuk hout met uitslag meer niet.’

En het begint te regenen. De bomen ruisen ervan. ’t Is een lekker gehoor. En je ruikt een kruidige lucht van aarde en van paddestoelen. In de verte klinkt niet het geluid van een snaar, die breekt, doch van een geweer, dat schiet. Iemand is, al of niet bevoegd, bezig de wildstand te corrigeren. Hij doet maar.

Niet ver van onze voeten wipt een uit smalle beurs gekleed vogeltje rond. Hij heeft een, wat de afmeting betreft, véél te ambitieuze twijg in zijn bek en racht daarmee vergeefs het zwerk te kiezen. De twijg is te zwaar. Jij komt er niet mee van de grond. ‘Neem een kleinere’, zeg ik. Maar zo’n diertje luistert niet. Goed, ik heb vroeger ook nooit geluisterd. Toch geloof ik dat het een erg dom vogeltje is, dat de klok heeft horen luiden en nu, in september, aan een nest begint. Een lachertje natuurlijk. Maar ook de schepping schmiert wel eens. Kijk maar om u heen.

‘Ik zou hier best nog jaren willen blijven zitten,’ zei ik tegen mijn vrouw. Ze antwoordt niet, want ik zeg dat telkens in de bossen. Uit het struikgewas komen twee niet weg te cijferen wilde zwijnen. Het ene blijft staan en kijkt gluiperig, maar het andere loopt doelgericht naar ons toe, ruikt aandachtig aan mijn knie en keert zich dan vol walging af. Zwijnen zijn geen beleefde beesten. ‘Kom, laten we maar een eindje doorlopen,’ zeg ik. Het regent nog steeds en het wordt al donker. Nog even en kan klimt Hans van Grietje in de boom en ziet in de verte het heilloos lichtje van de heks.
Simon Carmiggelt
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



In de grond geboord
Ik ga over lijken, maar ik ben niet de enige. Zonder erbij na te denken loopt of rijdt iedereen elke dag over de stoffelijke resten van complete landschappen van eeuwen her. In tegenstelling tot de samenstellende delen sterft een landschap natuurlijk niet echt, maar is het onderhevig aan veranderingen als gevolg van invloeden van water (rivier, zee en ijs), wind (stormen) en onderaardse beroeringen (daling of stijging van de bodem). Die veranderingen laten hun sporen achter in de vorm van grondsoorten (sediment) en resten van planten en dieren die ooit deel hebben uitgemaakt van het landschap. In de loop van honderden miljoenen jaren heeft zich een kilometers dik pakket sediment afgezet op ons stukje aardkorst. De diepere lagen hiervan zijn overigens door de belachelijk hoge druk alweer samengeperst tot keihard gesteente..., maar dat geeft niks, aangezien ik met mijn bescheiden (doch handzame) grondboor niet dieper dan zo'n drie meter kom. Afhankelijk van de locatie hebben we het dan wel over 'maar' 2000 tot 5000 jaar terug in de tijd!!! Om dit te illustreren volgen nu enkele waarnemingen, gedaan tijdens wat 'spielerei' met de grondboor in het afgelopen voorjaar.Locatie Besjeslaan (Leiden): na enkele lagen zeeklei met wisselende structuur stuitten we, zo'n 2 meter diep, op een laag egaal bleekbruine rivierklei, daaronder wat zandige zeeklei en vervolgens, op bijna 3 meter, zeer fijn, wat modderig zand. In de diverse kleilagen troffen we enkele soorten schelpjes aan die een beetje deden denken aan moerasslakjes en erwtenmossels, stukken onvervalst bot, hout, een brokje turf, en stukjes stengel van een of andere gras- of biezensoort. Helaas ontbreekt mij de kennis om deze sporen op naam te brengen, laat staan dat ik een conclusie hieruit kan trekken. Literatuuronderzoek leert ons niettemin dat de laatste 10.000 jaar de zeespiegel gestaag aan het stijgen is als gevolg van het smelten van de ijskappen en de daling van de aardkorst (nee, nu niet in paniek raken... zo snel gaat dat niet!). Door die stijging heeft zich laagje na laagje sedimentair residu (even opzoeken, anders wordt je lui) afgezet in de toenmalige slikken en moerassen van het eertijds niet bestaande Nederland. De laatste echte zandplaten op onze boorlocatie zijn ongeveer 4500 jaar geleden afgezet in het toenmalige estuarium van de Rijn, als gevolg van de getijdebewegingen van het zeewater in combinatie met het uitstromende Rijnwater. De mondingen -een echte delta dus- lagen toen ongeveer ter hoogte van de huidige Stevenshof. Naarmate de delta steeds westelijker kwam te liggen nam de invloed van het getij op deze plek af zodat alleen nog zeeklei (wat lichter is dan zand) met de vloedstroom tot zover werd meegevoerd. Dat duurde echter niet lang en gedurende meer dan 1000 jaar werd vervolgens alleen nog rivierklei op het omliggende veengebied gedeponeerd, vlak langs de bedding afgewisseld met rivierzand en grind. We moeten namelijk goed beseffen dat de Oude Rijn toen nog een echte rivier was, en niet de tamme afvoersloot die we nu kennen. Vanaf ca. 300 jaar v.C. werd de zee weer heel opdringerig, waarbij perioden van stormvloeden werden afgewisseld door wat minder gewelddadige perioden. Een en ander had tot gevolg dat uitgestrekte pakketten zeeklei werden afgezet tot ver in het binnenland. Eén van de laatste en zwaarste stormvloeden geschiedde nog geen 1000 jaar geleden in deze regio. Dit eigenste gebied droeg in die tijd de toepasselijke naam 'Holtland' (holt=bos; de naam 'Holland' komt hier vandaan) waar Eiken en Essen de boventoon voerden. In de winter van 1042 brak echter tijdens zware storm en springtij de zee via de monding van de Rijn door tot ver in het achterliggende Holtland. Het grootste deel van het bos werd door de golven omver gespoeld, en wel zo dat alle kruinen min of meer in noordoostelijke richting wezen. Overigens kwamen ook vele bewoners van dit gebied om. Waar de golven het hevigst huis hielden, werden zelfs grote stukken veenbodem losgeslagen. Vervolgens werd het bos in enkele maanden(!) tijd bedekt met een dikke laag zeeklei. Hierin zijn nog zeeschelpen terug te vinden die tijdens de vloed mee werden gesleurd. Door de toenemende agrarische activiteit heeft het 'holt' sindsdien geen poot (wortel) meer aan de grond gekregen, want vanaf 1300, begon ook de mens zich te bemoeien met de inrichting van het landschap waardoor we nu veilig(?) achter dijkjes, meters onder de zeespiegel wonen.Wie goed heeft gelezen merkt dus, met wat goede wil, dat de bovengeschetste gebeurtenissen vrij goed lijken te kloppen met de waarnemingen. Hoewel een enkele lezer bij het zien van dit ongenuanceerde betoog misschien wat meewarig zijn hoofd zal schudden, moet u van mij maar aannemen dat er, afgezien van 'onbelangrijke' details, toch een kern van waarheid in zit.
André Biemans
(bron: http://www.natuureducatie.nl)

^^ Terug naar boven                     



1e klas hazelnoten
In Leiderdorp weet ik al enkele jaren een oude Hazelaar te staan die zich probeert te handhaven in een stukje verwaarloosd openbaar groen. De grond eromheen is platgelopen en ondergepoept, en het is bovendien "een hele goede klimboom". Desondanks produceert de 'boom' (eigenlijk meer een verzameling buigzame dunne stammetjes) elk najaar weer vele, verbazend grote hazelnoten. De noten doen wat grootte en smaak betreft niet onder voor die van de notenbar. Dus zoek ik elk jaar weer tussen de bosjes aldaar en schud aan de takken op het gevaar af voor zonderling (of erger) te worden versleten. En als men mij vraagt wat ik doe, dan ben ik mijn contactlenzen aan het zoeken want het zijn 'mijn' noten en concurrentie duld ik niet!
André Biemans (http://www.natuureducatie.nl)
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



De oude wilg
Laatst was het dan zover: kreunend gaf de oude, ruim 20 meter hoge wilg zich, na enig aandringen met een kettingzaag, over aan de zwaartekracht. De kroon, die voor een groot deel uit dode afgeschilferde takken bestond, werd met grote vakkundigheid omgetoverd tot houtsnippers. Een enkele, in de lengte gehalveerde tak kon nog op het nippertje worden gered. In de tak bevindt zich een verdroogde pop van een of ander insect.

Aan de buitenkant vormen centimeters diepe gaten het bewijs dat een specht op de hoogte was van diens verblijfplaats. De onderste drie meter van de stam mocht echter blijven staan. Dezelfde dag nog werd dit gedeelte zonder pardon uitgehold in het kader van toekomstige lesprojecten. Bij deze werkzaamheden kwamen grote brokken hout tevoorschijn met daarin de vertakte sporen van de schimmeldraden (mycelium) van de Platte tonderzwam. Op de plaats waar het mycelium door het hout "vreet" ontstaat witrot, waardoor de kronkelige sporen wit afsteken tegen het gezonde hout. Tot mijn verrassing bleek het hart van het onderste stamdeel al grotendeels weggerot te zijn. Het resultaat was een geheimzinnig gat, dat op het eerste gezicht peilloos diep leek te zijn.

Diezelfde avond liep ik langs de boom, toen ik een vreemd, steels geluid hoorde dat uit de holte leek te komen. Enigszins op mijn hoede waagde ik een blik in het duistere gat... Wie schetst mijn verbazing toen bleek dat er een zwak lichtje brandde op de toch niet zo peilloze bodem. Maar het meest verbazingwekkende was toch wel het bedroefde gezichtje dat me recht aankeek. In een flits veranderde de uitdrukking echter in woede, en na een wild bezwerend gebaar (iets met z'n middelvinger geloof ik...) in mijn richting en enkele korte, krachtig uitgesproken termen floepte het licht uit, duisternis en stilte achterlatend.

De dagen erna verliepen voor mij niet al te best. Ik moest nog vaak terugdenken aan dat gebaar. Was ik vervloekt? Het leek zo onschuldig, maar toch... Ik geloof dat ik het voorgoed verbruid heb bij ze, terwijl er mijns inziens genoeg andere bomen zijn om iedereen tevreden te stellen...toch? Het nadeel van kabouters is dat hun tenen veel te lang zijn, als je begrijpt wat ik bedoel.
André Biemans (http://www.natuureducatie.nl)
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



Mistry Nevelig
"Kareltje, noem jij de plaatsen aan de spoorlijn van Groningen naar Amsterdam eens op," zei de meester. Kareltje dacht diep na, diepe denkrimpels verschenen op zijn voorhoofd. Maar uit zijn mond rolde geen reeks plaatsnamen. Verder dan 'Groningen' kwam hij niet. "Foei," zei de meester, "da’s niet zo mooi!". Kareltje kroop in elkaar en bloosde tot in zijn nek. "Elsje, noem jij die plaatsen dan maar eens op," zei de meester in het volste vertrouwen, dat zijn eigen dochter het toch zeker wel zou weten. Maar ook Elsje wist er niet veel van, toch begon ze dapper: "Groningen, ehh.. Assen, ehh... ehh..." Maar toen stopte Elsje, want er werd op de deur geklopt.

De meester liep naar de deur, opende die en was benieuwd, wie daar zou staan. Er stond een jongen. Een vrij lange, dunne jongen met een erg vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. De meester had nog nooit zoiets gezien. En de meester had toch al heel wat gezien in zijn leven. En de jongen had groen haar...! "Dag jongen," zei de meester. "Dag meester," zei de jongen. "Wat kom je doen?". "Ik ben een nieuwe leerling meester," zei de bruingroene jongen met het groene haar. "Kom dan maar binnen jongen," zei de meester. De jongen kwam binnen en keek de klas rond met lichtelijk verbaasde blik, want hij zag allemaal kinderen met open monden. Die waren allemaal van verbazing opengevallen, want ook de kinderen hadden nog nooit zo'n vreemd kind gezien. "Heb je ook een naam jongen?" vroeg de meester. "Ja meester," zei de jongen, "ik heet Mistry Nevelig." "Nou," zei de meester, "dat is ook geen alledaagse naam". "Nee," zei de jongen, "maar ik ben ook geen alledaagse jongen, daar zult u nog wel achter komen." "Goed," zei de meester, "nou ik ben meester Van Stoffelen. Eens even kijken, waar een plaatsje voor je vrij is. Ja, ik zie het al, ga maar naast Kareltje Boekschoten zitten." "Goed meester," zei Mistry. "Vertel eens Mistry," zei de meester, "is je vader of je moeder niet meegekomen om je aan te geven als leerling?" "Nee meester," zei Mistry, "mijn ouders staan in het woud en kunnen daar niet weg. Mijn vader is Eik Nevelig en mijn moeder heet Nootje Beuk."

Het was wel een komisch gezicht om Kareltje met zijn bolle toet vol sproeten en Mistry met zijn bruingroene gezicht en groene haardos zo naast elkaar te zien zitten. Meester Van Stoffelen kwam er al gauw achter, dat Kareltje en Mistry in elk geval één ding gemeen hadden, want Mistry wist haast nog minder van aardrijkskunde dan Kareltje. Maar later bleek, dat hij wel veel van natuurkunde wist. Hij wist de namen van alle bomen in het bos en ook wist hij heel veel bijzonderheden van al die bomen te vertellen. Daar kon zelfs meester Van Stoffelen nog wat van leren.

Thea Snuitman kwam opgewonden thuis na schooltijd! "Mama, moet je horen," riep ze al bij de voordeur. "We hebben nou toch een vreemde snuiter op school gekregen, hij is bruin, maar ook groen. Er net een beetje tussenin. En hij heeft groen haar". "Thea, Thea," zuchtte moeder Snuitman, "wat heb je toch een rijke fantasie." "Nee mam, het is echt waar," riep Thea. "En hij is heel erg mager, net een bonenstaak. Of nee, eigenlijk net een boomstammetje. "Hi, hi, hi." Ze moest zelf giechelen om haar vondst. "Trek nu eerst maar eens je jas uit en ga je handen wassen," zei moeder Snuitman, "dan zet ik intussen een lekker kopje thee voor ons tweetjes." Voor ons tweetjes?" vroeg Thea, "is Joke er dan niet?" "Nee suffie, het is toch donderdag, dan heeft Joke toch haar vrije dag" "O ja, daar had ik even niet aan gedacht," zei Thea. Even later zat Thea gezellig met haar moeder aan de keukentafel te genieten van een lekker kopje thee met een koekje, een Scholiertje, waar ze zo dol op is.

"En vertel me nu maar eens rustig over die nieuwe jongen op school," zei moeder Snuitman. "Nou," zei Thea, "de school was vanmiddag nog maar net begonnen. Wij hadden aardrijkskunde van meester Van Stoffelen. Kareltje Boekschoten moest de plaatsen langs de spoorlijn van Groningen naar Amsterdam opnoemen, maar die sufferd wist er weer niets van. Hoe die ooit over moet gaan... En toen moest Elsje van Stoffelen die plaatsen opnoemen." "Is dat niet de dochter van de meester?" vroeg moeder Snuitman. "Ja, Elsje is de middelste dochter van de meester," antwoordde Thea. "Maar net toen Elsje was begonnen, werd er op de deur geklopt. Dat klonk heel raar eigenlijk, net of er met een stuk hout op de deur werd geklopt. De meester deed de deur open en toen stond die vreemde jongen daar. Echt mam, het was een heel rare jongen. De meester stond trouwens ook raar te kijken." "Hoe zag hij er dan precies uit," vroeg moeder Snuitman. "Nou," zei Thea, "het was een vrij lange, dunne jongen met een erg vreemde huidskleur. Het was niet echt duidelijk welke kleur zijn huid had, je kon het groenig bruin noemen of bruinig groen. En de jongen had groen haar...! O ja, en toen de meester hem vroeg, waarom zijn vader of moeder niet mee was gekomen om hem als nieuwe leerling aan te melden, zei hij, dat zijn ouders in het bos stonden en daar niet weg konden. Vind je dat nou geen vreemd smoesje?" Haar moeder vond het inderdaad vreemd. Ze wist eigenlijk niet goed wat ze ervan moest denken. Zou haar dochter haar toch niet wat op de mouw spelden? Ze liet het verder rusten, maar was vast van plan het eens met Thea's vader te bespreken.

"Ha ha ha!!! Haaaa ha ha ha ha!!!" Slager Boekschoten lachte zich een bult, toen zijn zoon Kareltje met zijn verhaal over de nieuwe jongen thuis kwam. "Hooo ho ho, hiii hi hi, en hij heeft groen haar? Haaaa ha ha ha ha! En zijn huid is iets tussen groen en bruin? Kareltje, Kareltje, hoe verzin je het!" "Maar ik verzin het helemaal niet," riep Kareltje, vertwijfeld over zoveel ongeloof. "Het is echt waar! En die jongen zit nu naast mij in de bank. En hij heet Mistry Nevelig. Zijn vader heet Eik Nevelig en zijn moeder heet Nootje Beuk. O ja, en zijn vader en moeder staan in het bos en kunnen daar niet weg, zei hij." "Hou op jongen," zei slager Boekschoten, "doe nou maar weer gewoon, vertel maar eens hoe het was op school, heb je goed je best gedaan?" "Ja hoor," zei Kareltje, "ik kreeg bij aardrijkskunde een beurt en ik wist alles heel goed." "Mooi zo," zei vader Boekschoten, "ga zo door." En nog nagrinnikend over de onzin, die zijn zoon had uitgekraamd pakte hij een half varken uit de koelcel. "O ja," riep hij naar zijn zoon, "je moeder vroeg of ik tegen je wou zeggen, dat je even naar bakker Koekepeer moest gaan om anderhalf grof volkoren en een half boerenwit te halen. Laat ze het maar even opschrijven, dan rekent moeder het zaterdag wel af. Door dat gekke verhaal van jou, zou ik het bijna hebben vergeten.

De volgende morgen ging Kareltje wat vroeger van huis dan anders. Hij wilde wat eerder bij school zijn, maar dat viel tegen, want het waaide erg hard, zodat hij de grootste moeite had om tegen de wind in te fietsen. Hij moest zelfs nog twee keer afstappen. Toen hij bij de school aankwam, zag hij al heel wat kinderen op het schoolplein bijeen staan. Ze verdrongen zich om Mistry. "Mistry, heb je je haren zo geverfd?" "Nee hoor, mijn haar is echt groen." "En hoe kom je aan die vreemde huidskleur?" "Daar ben ik mee ontsproten." De kinderen proestten het uit van het lachen. "Wat zeg je dat plechtig Mistry, ontsproten." "Hoe moet ik het anders zeggen," vroeg Mistry verbaasd. "Nou gewoon, zo ben ik geboren." "Geboren? Noemen jullie dat geboren?" "Ja natuurlijk, Mistry, wie zegt nou, dat hij is ontsproten. Dat zeg je van planten en struikjes en bomen." "Juist ja," zei Mistry met een raadselachtige glimlach om zijn mond. De schoolbel ging en de kinderen gingen naar binnen. Toen Mistry naast Kareltje in de bank schoof vroeg hij: "Zeg Kareltje hoeveel ringen heb jij?" "Ringen? Ik heb helemaal geen ringen," zei Kareltje, "wat bedoel je daarmee?" "Nou, gewoon," zei Mistry, "hoe oud je bent." "O bedoel je dat," zei Kareltje, "zeg dat dan. Ik ben elf jaar, en jij?" "Ik heb dr... ehh... ik ben drie jaar," antwoordde Mistry. "Maak dat de kat wijs," zei Kareltje. "Welke kat," vroeg Mistry verschrikt, "er is hier toch zeker geen kat?" "Nee natuurlijk niet," zei Kareltje, "ben je soms bang voor katten?" "Ik moet niets van katten hebben," antwoordde Mistry, "die gebruiken mij altijd als krabpaal." Kareltje ging Mistry steeds vreemder vinden... ...

Het eerste lesuur was een heel bijzonder lesuur. Er kwam iemand van de vogelbescherming om de kinderen iets bij te brengen over de vogels, die er in hun omgeving en dan vooral in het nabij gelegen bos voorkwamen. Hij had ook twee opgezette vogels bij zich, een bosuil en een specht. Met die vogels, die op een plankje waren vastgezet liep hij de klas door, zodat de kinderen ze eens goed konden bekijken. Dat was natuurlijk leuk, want in het echt zag je ze niet van zo dichtbij. Een uil kreeg je trouwens sowieso al haast nooit te zien, want de uil is een nachtdier. Sommige kinderen mochten de vogels ook even zachtjes over de rug aaien, wat een enkeling wel wat eng vond. Thea Snuitman niet, die was nergens bang voor. Ze gaf de uil zelfs een kusje op zijn snavel. Maar Elsje van Stoffelen vond het doodeng. "Wat nou Elsje, ben je bang voor een opgezette vogel?" vroeg meester Van Stoffelen. Toen kwam de man met de vogels bij de bank van Kareltje en Mistry. "Weg met die beesten," riep Mistry. "Weg! Weg ermee!" "Waarom heb je zo'n hekel aan die vogels?" vroeg de 'vogelman' verbaasd. "Da's nogal wiedes," zei Mistry, "die rot-uilen houden je uit de slaap en spechten zijn nog erger, die pikken gaten in je bast." Verbazing alom... "Het lijkt wel of je een boom bent," lachte meester Van Stoffelen. Mistry zei niets meer, maar om zijn mond speelde weer dat raadselachtige glimlachje. "Trouwens," ging meester Van Stoffelen verder, "bomen hebben geen gevoel, ze zullen dus ook geen last hebben van zo'n specht." "Hoe weet u nou of een boom gevoel heeft of niet," zei Mistry, "is er ooit een boom geweest, die u dat verteld heeft?" "Nee, natuurlijk niet," antwoordde de meester, "bomen kunnen nu eenmaal niet praten." Weer glimlachte Mistry en hij deed er het zwijgen toe.

"Mama, mama, moet je horen," riep Thea Snuitman toen ze de deur open deed. Vlug liep ze door naar de kamer, maar daar was haar moeder niet. Dat was vreemd, want daar was haar moeder anders altijd als ze thuis kwam uit school. Snel liep ze naar de keuken. Moeder was vast al bezig thee te zetten. Maar ook in de keuken was niemand. "MAMA... MAMA...!" riep Thea weer. Maar er kwam geen antwoord. Thea snapte er niets van. Zou ze boven zijn? Ze liep naar de trap en halverwege de trap hoorde ze boven gedempte stemmen. Thea werd nu toch wel erg nieuwsgierig en met twee treden tegelijk snelde ze naar boven. De stemmen kwamen uit de slaapkamer van haar ouders. Wat werd daar zachtjes gepraat, het klonk bijna plechtig. Voorzichtig opende ze de deur van de slaapkamer en stak haar hoofd naar binnen. Tot haar verbazing zag ze daar haar moeder staan, die in gesprek was met de dokter. Thea keek naar het bed en ze schrok zich een hoedje! Op het bed lag haar vader met om zijn hoofd een heleboel wit verband. En op het achterhoofd van papa was het verband helemaal rood gekleurd. Mama Snuitman zag haar dochter staan en liep vlug naar haar toe. "Papa heeft een ongeluk gehad," zei ze. "Hij was in het bos aan het werk en door die harde wind waaide er een grote tak van een beukenboom. Die tak kreeg papa op zijn hoofd. Hij heeft nu een zware hersenschudding." "Maar papa draagt in het bos toch meestal een helm," zei Thea. "Ja, die droeg hij nu ook. Hoe het precies gegaan is weet ik niet," zei haar moeder, "maar een zijtak van die grote tak moet op de een of andere manier de helm van papa's hoofd hebben gerukt, waarna die dikke tak papa heeft geraakt." "Arme papa, "zei Thea, "wat zal hij een pijn hebben." "Op het ogenblik niet," zei moesje. "De dokter heeft hem een pijnstillende injectie gegeven." "Waarom zijn de gordijnen zo potdicht?" vroeg Thea. "Dat moet Thea," zei de dokter. "Mensen met een zware hersenschudding kunnen geen licht verdragen." "Arme, arme papsie," zei Thea weer en zachtjes huilend verliet ze de slaapkamer en ging naar beneden. Even later kwamen haar moeder en de dokter ook naar beneden. "Je mag vanmiddag wel thuis blijven van school Thea," zei haar moeder, "je kunt nu toch je aandacht niet bij de les hebben. Ik zal meteen meester Van Stoffelen even bellen."

Die middag ontbrak ook Mistry in de klas. Niemand wist, waarom hij er niet was. Er was ook niemand, die wist waar hij woonde. De volgende morgen vroeg meester Van Stoffelen aan Mistry, waarom hij die middag niet was komen opdagen. "Ik kon niet weg meester," zei Mistry, "want mijn moeder heeft een ongeluk gehad. Die harde wind van gisteren heeft een van haar ta... van haar armen afgerukt." "Nee toch!" riep de meester verschrikt. "Wat erg! Wat zal ze een pijn hebben. Ligt ze in het ziekenhuis? Waar is het gebeurd?" "Nee, ze ligt niet in het ziekenhuis," antwoordde Mistry. "Het gebeurde in het bos." "Wat vind ik dat vreselijk voor je," zei Kareltje. "Nu heeft je moeder maar één arm meer." Mistry antwoordde niet. Maar weer verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond. Het werd vrijdag en toen de school 's middags uit ging, vroeg Kareltje aan Mistry: "Kom je morgenmiddag bij mij spelen?" "Dat is goed," zei Mistry, "als ik mag van mijn ouders dan ben ik om twee uur bij je." "Afgesproken!" zei Kareltje.

Thuis aangekomen, kon Kareltje direct aan de slag, hij moest zijn vader helpen. Vrijdags was het altijd druk in de winkel. Haast nog drukker dan op zaterdag, want het was zomer en veel mensen gingen tijdens het weekend naar de camping. En dus moesten ze hun boodschappen al op vrijdag halen. De moeder van Kareltje was ook druk bezig in de winkel, maar ze zag toch nog kans vlug een kopje thee met een koekje voor Kareltje te halen. "Hoe is het met die nieuwe, met dat groene haar?" vroeg ze aan Kareltje. "Met Mistry is het wel goed," zei Kareltje, "maar met zijn moeder niet, ze heeft een ongeluk gehad in die storm van gisteren. Een van haar armen is van haar lichaam gerukt." "Nee toch!?" schrok moeder Boekschoten, "wat erg, ze ligt zeker in het ziekenhuis?" "Nee," antwoordde Kareltje, "dat vonden we allemaal erg vreemd, maar ze is niet in het ziekenhuis. Trouwens, ik heb met Mistry afgesproken, dat hij morgen bij mij komt spelen. Als hij toestemming van zijn ouders krijgt, dan komt hij." "Dat is heel mooi," zei zijn moeder, "want ik ben toch wel erg benieuwd geworden naar die jongen."

De volgende middag om tien over twee kwam Mistry bij Kareltje. "Dag Kareltje, daar ben ik dan," zei Mistry. "Dag Mistry," zei Kareltje, "kom binnen en doe alsof je thuis bent!" "Dat zal moeilijk gaan," mompelde Mistry en weer verscheen dat raadselachtige glimlachje om zijn mond. De jongens gingen eerst naar de huiskamer, waar Kareltje Mistry aan zijn moeder voorstelde. "Dag mevrouw," zei Mistry, "ik ben Mistry Nevelig." "Dag Mistry," zei de moeder van Kareltje, "ik ben de moeder van Kareltje, fijn dat je bij Kareltje komt spelen." De jongens gingen naar buiten, waar Kareltje zijn lievelingen liet zien, twee lievelingskonijntjes. Maar het was al gauw duidelijk, dat Mistry's belangstelling voor dieren uiterst minimaal was. "Zullen we een potje gaan knikkeren?" vroeg Kareltje. "Knikkeren? Wat is dat?" "Jeetje, kun jij niet eens knikkeren?" Kareltje snapte er niets van. Welke jongen kon nou niet knikkeren... "Kom," zei Kareltje, "ik leer het je wel even." En het duurde niet lang of Mistry was het knikkerspel machtig. Maar toen riep moeder Boekschoten de jongens binnen, want ze had thee voor hen. dat lieten ze zich goed smaken. Ze kregen er een lekkere plak koek bij, maar daarvoor bedankte Mistry beleefd. "Wat nou jongen, lust jij geen koek?" vroeg de slagersvrouw. "Nee mevrouw, het spijt me," zei Mistry.

Na de thee gingen de jongens het bos in, waar Kareltje zich verwonderde over de grote kennis, die Mistry betreffende de bomen in het bos had. Van alle bomen wist hij de naam. Ze kwamen langs een machtige eik, die naast een sierlijke beuk stond, waarvan jammer genoeg een tak was afgebroken, Die lag nog onder de boom op de grond. Maar Kareltje vond het wel wat raar, dat Mistry zijn hand even tegen die eik en die beuk legde en zachtjes "hallo" zei. En zag Kareltje dat goed? Dat kon toch niet waar zijn... Neeee... hij had het vast niet goed gezien... Maar toch... het leek warempel wel of die eik even met een tak naar hen wuifde... Ach nee... het was natuurlijk door de wind geweest. En om de lippen van Mistry speelde weer dat raadselachtige glimlachje...

Nog één week moesten ze, na die zaterdag, naar school, dan kregen ze vakantie. "Vakantie?" vroeg Mistry, "wat is dat?" Stomverbaasd keek Kareltje hem aan. "Doe niet zo belachelijk, wie weet nou niet wat vakantie is!" "Nee," zei Mistry, "dat weet ik echt niet." "Hadden jullie op je vorige school dan nooit vakantie?" "Ik ben nooit eerder naar school geweest," antwoordde Mistry. "Alles wat ik weet hebben mijn ouders mij geleerd." Kareltje ging steeds minder van Mistry begrijpen. Maar aan de andere kant vond hij het ook wel spannend. "Vakantie," zei Kareltje, "is het mooiste van de school, want dan ben je een aantal weken vrij en hoef je dus niet naar school." "Wat raar," zei Mistry, "dan leer je toch ook niets?" "Dat hoeft ook niet," zei Kareltje, "want het hele lesschema is daarop ingesteld." "Dat kan wel zijn," zei Mistry, "maar toch vind ik het stom. Wat moet je dan al die weken doen?" "Nou, wij gaan drie weken naar Ameland," zei Kareltje, "tenminste mijn moeder en ik, want mijn vader kan maar twee weken op Ameland zijn, langer is de slagerij niet gesloten." "Dus als je vader bij jullie op Ameland is, kunnen de mensen twee weken geen vlees eten?" vroeg Mistry. "Natuurlijk wel gekkie," zei Kareltje, "er is toch ook nog slagerij Oosterhof in de Westerstraat en dan heb je nog een slager aan de Ossenlaan. Dat zijn dus drie slagers in totaal en die hebben om de beurt vakantie." "O" zei Mistry en dacht er het zijne van. "Zeg Mistry," zei Kareltje, "die derde week op Ameland, als mijn vader weer naar huis is, kun jij misschien wel bij ons komen. Zal ik dat eens aan mijn moeder vragen?" "Dat kan niet." zei Mistry, "ik kan geen week zonder eten." "Wat denk je nou suffie, dat wij je een week lang op een houtje zouden laten bijten? Je eet natuurlijk gewoon met ons mee." "Dat kan ik niet, ik moet perse thuis eten," zei Mistry. "Waarom dat dan in vredesnaam!?" vroeg Kareltje. "Dat leg ik je later misschien nog wel eens uit", zei Mistry met weer om zijn mond dat raadselachtige glimlachje. "Ik snap er niks van," zei Kareltje. "Laatst bij ons thuis wilde je ook al geen koek bij de thee. En ik zie je ook nooit snoepen." "Dat klopt, ik kan nu eenmaal geen vast voedsel tot mij nemen. Alleen water of thee of een andere drank kan ik wel tot mij nemen, maar geen vast voedsel." "Maar waarom dan niet," vroeg Kareltje, "kun je mij dan niet vertellen, waarom dat zo is? Ik vind alles zo raar. En we zijn nu toch vriendjes, dan kun je me dat toch wel vertellen?" Mistry dacht een poosje diep na, maar na een poosje schudde hij zijn hoofd. "Ik kan je nu nog niets vertellen," zei hij, "dat kan ik niet zonder toestemming van mijn ouders doen. Ik zal hen straks vragen of ik je iets mag vertellen, dat hoor je vanmiddag dan wel."

"Jongens en meisjes!" riep meester Van Stoffelen, "allemaal even goed luisteren. Aanstaande vrijdag is de laatste schooldag voor de vakantie. En van die vrijdagmiddag maken we een heel bijzondere middag. Er is dan geen gewone les, maar we maken er een verhalenmiddag van. Ieder van jullie, die een mooi verhaal weet, mag dat vertellen of voorlezen. Als er niet genoeg verhalen van jullie komen om de middag te vullen, dan heb ik nog wel een paar spannende verhalen, maar ik zou het mooier vinden, als alle verhalen van jullie kwamen. Zoek thuis maar eens goed, of vraag je ouders of ze een mooi verhaal voor je hebben. Het is nu twaalf uur, dus ga maar gauw naar huis om te eten." De kinderen renden naar buiten en gingen naar huis. "Niet vergeten aan je ouders te vragen hoor!" riep Kareltje tegen Mistry. "Wat moet hij vragen?" vroeg Elsje van Stoffelen. "Dat gaat je niets aan," zei Kareltje. "Flauwerik," riep Elsje en stak haar tong tegen hem uit.

Toen Kareltje na de middag bij school aankwam, zag hij Mistry ook net aan komen lopen. Vlug liep hij naar hem toe en vol spanning vroeg hij: "En... wat zeiden je ouders?" "Ik mag alle geheimen onthullen en alle vragen beantwoorden," zei Mistry. "Maar dat doe ik nu nog niet." "Doe niet zo flauw," zei Kareltje, "vertel op!" "Nee Kareltje, nu nog niet," zei Mistry, "je moet nog even geduld hebben tot vrijdag. Meester Van Stoffelen vroeg toch om spannende verhalen om op vrijdagmiddag te vertellen. Nou, dit lijkt mij wel geschikt daarvoor. Je zult dus nog even tot vrijdag geduld moeten hebben." Kareltje zuchtte diep en zei: "Nou vooruit, dat moet dan maar. Maar je maakt me wel erg nieuwsgierig."

Die week kon Kareltje niet vlug genoeg voorbij gaan, maar eindelijk werd het dan vrijdagmiddag. De kinderen waren allemaal in een uitgelaten stemming, want ze kregen vakantie en eerst nog een mooie middag. Ze hoopten op mooie en vooral spannende verhalen. Kees-van-de-molenaar mocht beginnen. Hij had een leuk verhaal over hun molen, die van nieuwe wieken was voorzien. Uitvoerig vertelde hij hoe dat in zijn werk ging. Hij had er ook foto's van bij zich, want geen van de kinderen had dat spektakel gezien. Ze mochten toen niet in de buurt komen. Maar door die foto's konden ze zich er een beeld van vormen. Na Kees was Elsje van Stoffelen aan de beurt. Zij las een verhaaltje voor uit een boekje, maar het kon de andere kinderen niet zo erg interesseren. Thea Snuitman was vorig jaar naar haar oudere broer in Nieuw-Zeeland geweest en daar had ze een soort opstel over gemaakt en dat vonden ze allemaal erg boeiend. Veel kinderen waren ook wel een beetje jaloers op Thea, die zover weg was geweest. Natuurlijk had meester Van Stoffelen ook een mooi verhaal te vertellen. Het ging over een eenzame kluizenaar, die in een soort onderaardse hut woonde, waar hij alleen gezelschap had van een oude hond en een paar zwerfkatten. Hij was door zijn familie verstoten. Hij moest zich helemaal alleen zien te redden, vooral 's winters in vaak hele slechte omstandigheden. Het was een beetje een ontroerend verhaal. De meester kon erg mooi vertellen, hij wist de kinderen heel goed te boeien. Als laatste die middag kwam Mistry aan de beurt. Kareltje veerde op en ging er eens goed voor zitten. En Mistry vertelde...:

"Lang, heel lang geleden heeft mijn vader de woede opgewekt van een tovenaar. Er waren in hun dorp twee tovenaars. De één was een en al goedheid, maar de ander was een vreselijke slechterik. Niemand kon goed doen in zijn ogen. Maar gelukkig had de goede tovenaar meer macht, dan de slechte, zodat hij veel onheil dat de slechte tovenaar aanrichtte kon herstellen. Waarom die boze tovenaar opeens zo kwaad werd op mijn vader, is mij niet helemaal duidelijk. Feit is, dat de tovenaar in grote woede ontstak en mijn vader in een eikenboom en mijn moeder in een beukenboom veranderde. Nu zou de goede tovenaar dat weer ongedaan kunnen maken, maar dat moest dan wel voor zonsondergang gebeuren. En het toeval wilde, dat de goede tovenaar juist die dag naar een dorp verderop was geroepen om een boze geest te verdrijven. De broer van mijn vader, mijn oom dus, is meteen naar dat dorp gegaan om de goede tovenaar te halen, maar het was al laat in de middag en ze kwamen niet voor donker in ons dorp aan, zodat de goede tovenaar niets meer kon uitrichten. Dit alles gebeurde meer dan driehonderd jaar geleden. De vloek van de tovenaar gold alleen voor mijn ouders. Toen ik drie jaar geleden ontsproot groeide ik voorspoedig op tot een jong boompje. Ik sta dan ook nog steeds als een jonge boom in het bos, dichtbij mijn ouders. Ongeveer een half jaar geleden ontdekte ik bij toeval, dat ik in staat was uit mijn boomgestalte te treden en in menselijke gedaante weg te lopen. Het vreemde is, dat ik als boom wel met mijn ouders kan praten, maar als jongen niet. Ik versta hen wel, maar zij verstaan mij niet. Met uitzondering dan van de paar woorden, die ik ze heb geleerd, zoals 'tot ziens', 'hallo' en 'welterusten'. Nu begrijpt u ook meester Van Stoffelen, waarom mijn ouders niet naar school konden komen om mij aan te melden als leerling." "Ja, dat is me nu wel duidelijk," zei meester Van Stoffelen. "Maar vertel eens Mistry, wie heeft jou dan leren praten?" "Dat kon ik vanzelf," antwoordde Mistry. "Maar ik sprak, zoals men ruim driehonderd jaar geleden sprak. Ik heb me toen dadelijk onder de mensen begeven. Ik zocht steeds plaatsen, waar veel mensen samenkomen en ik luisterde scherp naar hun gesprekken. Ik leer vlot en dus duurde het niet lang of ik sprak zoals ik nu doe."

"Nu is me ook duidelijk, waarom je niets van aardrijkskunde afwist," zei meester van Stoffelen. "En je kennis omtrent de bomen in het bos spreekt nu eigenlijk ook wel vanzelf. Van wie kwam eigenlijk het idee om naar school te gaan? Want ik neem toch aan, dat scholen voor jou niet bekend waren." "Nee," zei Mistry, "ik had natuurlijk nog nooit van scholen gehoord, maar mijn ouders wel en mijn vader raadde mij aan om naar school te gaan. Maar de scholen zijn nu wel heel anders dan driehonderd jaar geleden. Dat zei mijn vader, want hij vroeg me natuurlijk honderd uit over de school. Mijn vader was vroeger in hun dorp trouwens een van de weinigen, die op school had gezeten en kon lezen en schrijven." Opeens sprong Kareltje op van zijn stoel en riep opgewonden: "Héee, wacht eens even! Mistry! Nu snap ik het! Dan is het dus toch waar! Het is dus toch geen verbeelding van me geweest!!!" "Rustig, rustig Kareltje," maande meester Van Stoffelen, "vertel nu eens kalm wat je bedoelt." "Nou meester, laatst was Mistry op een zaterdagmiddag bij mij te spelen en toen gingen we ook in het bos wandelen. Mistry verbaasde mij toen ook weer met zijn grote kennis wat bomen betreft. We kwamen toen langs een eik en een beuk en wat ik toen erg vreemd vond, was dat Mistry even zijn hand tegen de stam van die twee bomen legde en zachtjes 'hallo' zei. En ik meende toen te zien, dat die eik even met een tak als het ware naar ons wuifde. Maar ik schudde die gedachte ook meteen weer van mij af, want hoe kon een boom nu naar mensen wuiven? Ik dacht dat het van de wind zou zijn. Maar nu begrijp ik, dat het de vader van Mistry geweest moet zijn en dat hij inderdaad naar ons wuifde. Zo is het toch Mistry?" Mistry knikte bevestigend. "Oooh en nu begrijp ik ook dat raadselachtige glimlachje, dat om de haverklap om je mond speelde," zei Kareltje.

"Maar Mistry," riep opeens Thea Snuitman, "hoe komt het dat je zo'n vreemde huidskleur hebt? En groen haar?" "Nou," zei Mistry, "dat is een klein mankementje, kun je wel zeggen. Ik verander in een mens als ik uittreedt, maar mijn huid houdt min of meer de kleur van mijn bast als boompje en mijn haar heeft de kleur van de bladeren, die ik als boompje heb. Jullie zullen trouwens nog wel eens vreemd opkijken, want straks in de herfst wordt mijn haar geelbruin en in de winter loop ik met een kaal hoofd. Maar wees gerust, volgend voorjaar verschijnt er weer een frisse groene haardos." "Nou, ik vind het maar raar hoor," zei Elsje van Stoffelen. "Ik vind je eigenlijk een beetje een griezel." "Foei Elsje," zei meester Van Stoffelen, "dat mag je niet zeggen. Mistry is helemaal geen griezel, hij is gewoon een beetje anders dan jullie, maar dat maakt hem niet griezelig." Thea, die naast Elsje zat, beet haar zachtjes toe: "Jij bent zelf een veel grotere griezel met je rare puntige wipneus." Het is maar goed, dat blikken niet kunnen doden, want anders zou Thea nu niet meer leven.
onbekend
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



De historische achtergrond van de Lindeboom van Tilburg
Dit is geen sprookje of verhaaltje, maar het trieste, waargebeurde verhaal van een oude Linde in Tilburg.

De 350 tot 400 jaar oude Linde op de Heuvel, naast de kruikezeiker was toch wel hét symbool van Tilburg. Deze boom werd kunstmatig in leven gehouden. Bij droog weer kreeg de oude en verminkte reus via een slang vol gaatjes per uur en per meter slang 2 liter water automatisch toegevoegd. Het leven werd hem op dit drukke plein, door onder andere het voortrazend verkeer, zowat onmogelijk gemaakt. In het herinrichtingsplan van de Heuvel was geen plaats meer voor de Linde. Nu hij echt weg is, is een terugblik op een lang en indrukwekkend leven wel op zijn plaats...:

De Tilburgse Linde was een Hollandse Linde (Tilia x vulgaris); in vaktermen een voormalige etagelinde en in feite een Winterlinde. In het wild komt de Linde al zo'n 2500 jaar niet meer voor in Nederland. De boom was 18 meter hoog en zijn stamomtrek was 540 cm. De Linde is eeuwenlang gezichtsbepalend geweest voor de Heuvel en hij sprak zeer tot de verbeelding van toevallige passanten. Zo bracht de wereldreiziger graaf De Monconys in 1662 een bezoek aan Tilburg. Hij logeerde in "De Gekroonde Zwaan" op de Heuvel. In het boek "Voyages de Monsieur de Monconys dans la Hollande" (Parijs, 1667) staat dat de graaf vol bewondering de Linde aanschouwde, de kruin wel een omtrek had van 62 passen en dat de boom door 28 pilaren ondersteund werd. De boom moet toen al van een behoorlijke leeftijd zijn geweest. Hij verhaalt ook over de merkwaardigheid, in zijn ogen althans, dat de dienstmeid van de herberg haar tijd doorbrengt met het maken van figuren van fijn zand op de plavuizen van het etablissement.

Als Elise van Calcar in 1850 een bezoek aan Tilburg brengt, geeft zij later in haar boek Tilburgsche Mijmeringen ('s-Hertogenbosch, 1851) een uitvoerige, en voor die tijd typerende, beschrijving van de Linde: "Het is een Lindenboom van wonderbaar fatsoen. Niet alleen is zijn ontzettend zware stam van zoo zonderlinge gedaante, dat hij aan een zaamgewassen groep van verscheidene stammen doet denken, maar niet minder vreemd is ook het uitschieten zijner reuzenarmen, die rondom gesteund door paal en latwerk zich verbazend wijd uitstrekken. Slechts één enkele tak mogt zijne natuurlijke rigting, zijn aandrift naar boven volgen en zich fier van de aarde verheffen." De boom was volgens Elise zodanig gesnoeid en geleid dat deze meer op een "ontzaggelijk groote chineesche parasol" leek.

Mr. J.I.D. Nepveu schrijft in 1852 in zijn verhalenbundel Studie en uitspanning: "...Wie ooit Tilburg bezocht, zal dáár zonder twijfel, vooral als hij in "De Zwaan" zijn intrek had genomen, ook wel eenige uren onder den grooten Linde hebben uitgerust, waarmede het marktplein, de Heuvel genaamd, sedert onheugelijke jaren reeds prijkt. Want zeggen de inwoners - van het eigenlijke Tilburg namelijk - zoo gij onze stad verlaat en onze paraplui (gelijk zij die klassieke kruin naar haar vorm heeten) niet gezien hebt, dan waart gij als in Rome, zonder den Paus aanschouwd te hebben."

Er zijn in de literatuur nog talloze beschrijvingen over de Tilburgse Linde te vinden, zoals bijvoorbeeld in het boek "Jaren en jeugd in Brabant", (Amsterdam, 1944; herdukt in Antoon Coolen Land en volk van Brabant, Amsterdam, 1950) van Uri Nooteboom: "Als ge een ouden Tilburger vraagt naar het meest merkwaardige in zijn geboortestad, tien tegen een, dat hij den Linde zal noemen. Hij zal het niet hebben over de fabrieken, hij zal niet vertellen, dat Tilburg de laatste jaren zoo hard is gegroeid, neen, hij zal den Linde op den Heuvel noemen. [...] Zijn dikke stam is met stevig hekwerk omgeven; de zware takken, waarvan de onderste horizontaal staan, zijn met ijzeren paalwerk, waarop balken zijn gelegd, onderstut. [...] Kinderen speelden onder de groene ijzeren palen boompje-verwisselen, jongens met kleine fietsen reden kunstig met bochten en bogen tussen de paaltjes door. Als er uit het hart der stad een fietstocht of uittocht plaats had, was de Linde het verzamelpunt. Vandaar uit wandelden we in den nacht van den eersten Zondag in Mei naar Den Bosch, vandaar uit ging de fietstocht naar Onze Lieve Vrouw van den Heiligen Eik te Oirschot. En de Tilburger vraagt zich af, wat van zijn stad zou moeten worden, als de Linde op den Heuvel het wegens ouderdom of door een of andere oorzaak begeven zou. Zouden dan de fabrieken nog werken? Zou dan Tilburg nog Tilburg zijn? Indien de Linde werd geveld, zou dat een grote, gapende wonde zijn in het hart van deze stad en geen dode zou ooit méér zijn betreurd [...]."

Van oudsher werd er onder de Linde rechtgesproken, in de nabijheid daarvan vonnissen voltrokken, en er werden vanaf 1575 al jaarlijks drie jaarmarkten en (zeker vanaf 1570) tot het eind van de vorige eeuw de jaarlijkse kermis gehouden. De belangrijkste handelswaar op de jaarmarkten waren voedingswaren, paarden en ander vee en wollen en linnen lakens. In het trouwboek van 1669 staat de aantekening, dat een huwelijksafkondiging "onder de Linde" heeft plaatsgevonden.

Op de oudste kaart van Tilburg, uit 1760, is vlak bij de boom een galg getekend. De Linde is vaak de stille getuige geweest van openbare executies en andere "volksvermaken". Daar zijn sappige verhalen over bekend, zoals dat over een bende struikrovers, die onder de naam "Muscoviters" in het begin van de achttiende eeuw Tilburg en omgeving onveilig maakte. Op 24 augustus 1708 werd Jan Peeters, bijgenaamd Jan Schrok, die verschillende "schelmstukken, roverijen, onveiligmaken van publieke wegen, knevelarijen en andere grove feiten" op zijn geweten had, als voorbeeld voor de anderen, door de scherprechter levend geradbraakt. Onder overweldigende belangstelling werd hij op de Heuvel bij de Linde op een liggend wagenwiel gebonden, rondgedraaid en zijn ledematen met een zware balk verbrijzeld. Daarna is zijn hoofd afgehouwen en enige uren op een pin tentoongesteld. Zo ging dat in die dagen met struikrovers!

Er is zelfs een legende verbonden aan de eeuwenoude Linde. Lambert G. de Wijs schreef voor de Nieuwe Tilburgsche Courant in 1925 het verhaal "Een Maria-legende van den Tilburgschen Linde", waarvan een overdruk verscheen. Deze legende speelt in het midden van de zestiende eeuw, toen de beruchte legeraanvoerder Maarten van Rossum zijn strooptochten door Brabant ondernam. Op de Heuvel in Tilburg woonde een zekere Antoni, die zich bij zijn plunderende troepen aansloot. Hij zou vermoedelijk gesneuveld zijn. De moeder van Antoni bleef echter in zijn behouden terugkomst geloven, en zij plaatste een Mariabeeldje tegen de stam van de Linde. Na jaren was het beeldje door de tand des tijds aangetast en tenslotte verwijderd. De weduwe en haar andere zoon Herman leden inmiddels aan verstandsverbijstering. Op een heldere juninacht werden beiden wakker en verlieten zij om onduidelijke reden het huis om onder de Linde te gaan bidden. Op dat moment verscheen tussen de knoestige takken Maria met het Kindje Jezus: " 't beeld scheen te lachen en vreugde omstraalde 't kind op haar arm." Plotseling zagen zij ook een geknielde man zitten: de verloren gewaande maar berouwvolle zoon Antoni. Met een beetje fantasie was in de jaren dertig van deze eeuw de beeltenis van Maria nog duidelijk te zien.

Een ander opmerkelijk feit vinden we in het boekje "Volksfeest gevierd te Tilburg" ('s-Hertogenbosch, 1798). Hierin staat vermeld dat de Linde een grote rol speelde in het volksfeest dat op 19 mei 1798, het "vierde jaar der Bataafsche Vryheid", op de Heuvel werd gevierd. Een jongedame die "het beeld der Vryheid" moest voorstellen, "wenkt de Faam en geeft aan haar de Speer en Hoed over, wyzende naar den grooten Linde die agter haar staat, ten teeken, dat zy die daar op wil geplaatst hebben ... rondom op den Linde worden de Tropheen gezet, waar mede de Triumph-wagen vercierd was..." De Linde als vrijheidsboom.

Tilburg bezat op het eind van de veertiende eeuw al een markante Linde. In de archiefbronnen vonden we in 1390 de vermelding van de boerderij het "GuetterLinde" en in 1429 is er sprake van "den Lyndacker aen die Linde". Daarmee wordt een akker aan het Lijnsheike bedoeld. Die boom werd in 1502 reeds "die oude Linde" genoemd. In de buurt van het Kraaiven, ten noordwesten van het Hasseltplein aan de "Heydsijde" stond in 1554 "die Hoollynde". In 1598 werden op de Heuvel een huisje "ende bancken omme de lynde staende" afgebroken. Vermoedelijk hebben we het dan over de huidige Linde en het bankje waar recht werd gesproken.

In 1675 is de boom door een storm omgewaaid; hij moest toen worden gestut. Over het onderhoud van de Linde zijn vanaf de zeventiende eeuw tot heden vele gegevens bekend. Daaruit is ook af te leiden, dat de boom steeds gemeentelijk bezit is geweest. In 1638 werd door het dorpsbestuur 75 gulden betaald aan Jan Peter Nolen om een "stellinge te maecken onder de lynde op den Hovel". Jacob van Rijswijk ontving in 1711 een gulden en veertien stuivers voor het snoeien van de Linde. Tussen 1755 en 1762 mocht Zacharias van Deijst niet alleen deze boom jaarlijks "scheeren", maar ook de "jonge Lindekens voor 't Raethuys", aan de Markt. Zoals op een oude afbeeldingen te zien is, was de Linde in de vorige eeuw kegelvormig gesnoeid tot een grote parasol. De houten steunstoel werd in 1830 in de stadskleuren geel en blauw geverfd. Na 1873 werd de Linde voorlopig niet meer gesnoeid, wat natuurlijk niet zo bevorderlijk was. In 1901 werd door de commissie van de gemeente-begroting voorgesteld de boom te rooien. Dit voorstel ondervond zoveel protest, dat deze zaak al bij voorbaat als verloren beschouwd kon worden: "de oudste Tilburger" bleef overeind.

In de jaren twintig, toen de boom ernstige tekenen van verval vertoonde, was hij vaak onderwerp van gesprek in de vergaderingen van B & W. Een bloemist raadde toen aan om elk jaar een gleuf rondom de boom vol te storten met koemest. Na drie jaar had de boom weer zijn oude aanzien. Lindeliefhebbers hebben zich in de 2e wereldoorlog vaak afgevraagd, hoe de boom uit de strijd zou komen. Er is slechts 1 incident bekend. Na de bevrijding reed een Canadese vrachtwagen bij het achteruitrijden er een forse tak af.

De typische kegelvorm met zijn horizontale takken (de kruin had een doorsnede van 30 meter) en de hoofdstam, zijn begin jaren zestig bij de herinrichting van de Heuvel verdwenen, evenals de ondersteunende houten balken en de 32 ijzeren kolommen. Vanaf toen is het echt fout gegaan. De afgezaagde stompen van de vroegere takken waterden in en de stam begon langzaam te rotten. In de daaropvolgende jaren verschijnen er regelmatig alarmerende berichten in de kranten over het op handen zijnde afsterven van de boom. Door de witrand tonderzwam aangetast, moest in juni 1988 de centrale tak voor tweederde deel worden afgezaagd. Een jaarringtelling wees een ouderdom van 175 jaar uit. Deze tak is dus later aan de boom gegroeid. In oktober 1990 werd door boomchirurg Peter Horstink van de Nederlandse Heidemij in opdracht van de gemeente Tilburg een ingrijpende operatie verricht, compleet met het aanbrengen van een 75 meter lange buis voor druppelbevloeiing.

Bert Maes schrijft in zijn boek "Monumentale bomen in Nederland" (Amsterdam, 1991): "... Toen we in juli 1990 op een route door Brabant toch nog even een kijkje konden nemen in het centrum van Tilburg, dachten we een wrak van een boom te zien, maar het tegendeel is waar. Op het gezellige Heuvelplein staat een stokoude Hollandse Linde (Tilia x vulgaris), met groene blaadjes aan de takken. Goed, de dikke, middelste tak is dood, maar de onverwoestbaarheid van de Linde kennende, denken we dat de Tilburgers nog vele jaren kunnen genieten van deze monumentale Linde. Daarbij hebben we natuurlijk ook rekening gehouden met de gedachte dat de Tilburgse plantsoenendienst er alles aan doet om deze eerbiedwaardige bejaarde in leven te houden...’

De monumentale Linde, waarvan een schoenfabrikant nog niet zo lang geleden het lugubere voorstel deed om tegen een vergoeding van tienduizend gulden de boom te laten verzagen tot schijfjes als relatiegeschenk, heeft zijn langste tijd gehad. Vooruitlopend op het eventuele verdwijnen van de Linde nam de winkeliersvereniging Emmapassage het initiatief om bij haar eenjarig bestaan op 22 oktober 1992 de gemeente een nieuwe Linde aan te bieden. Deze werd geplant op de parkeerplaats naast het winkelcentrum Emmapassage………………

Aan den beroemden Tilburgschen Linde:

Wuif nu, fiere en grijze Linde,
Om de slapen der beminde
En vereerde Koningin,
Strooi uw bloesem aan de voeten
Van de Moeder die wij groeten
In éénzelfde Oranje min.

Laat Haar 't frische Groen der blâren
Neêrlands Hope op Haar verklaren,
En - wat wank'len moge of vall' -
Laat haar forsche stam en takken
Leeren, dat de Trouw niet knakken,
Weif'len of vermind'ren zal.
Ronald Peeters
(bron: onbekend)

^^ Terug naar boven                     



De eekhoorntjes en de flessendoppen
Er was eens een kolonie van eekhoorntjes die in een groot bos woonden. Ze hielden zich het grootste deel van de dag bezig met het verzamelen van nootjes, die ze opsloegen in holle bomen als wintervoorraad. Aan het einde van de herfst, als het koud begon te worden, trokken ze zich terug in hun warme holletjes, en aten de hele winter lang de nootjes uit hun voorraad. Meestal was het al weer lang voorjaar geworden als de voorraad eindelijk op was.

In hetzelfde bos woonde ook een kolonie eksters. De eksters aten nootjes net als de eekhoorntjes, maar die vormden slechts een deel van hun dieet. Ze aten namelijk ook insekten en stukjes fruit. Omdat ze daardoor gemakkelijker aan voedsel konden komen dan de eekhoorntjes, hielden ze veel tijd over voor hun hobby, te weten het verzamelen van, wat ze noemden, "blinkertjes". Een blinkertje kon van alles zijn: een flessendop, een stukje zilverpapier, een glanzend steentje - als het maar op een of andere manier schitterde. Niet alleen verzamelden ze blinkertjes, ze ruilden ze ook onderling. Meestal ruilden ze het ene blinkertje voor het andere, maar ook ruilden ze wel blinkertjes voor voedsel.

De eekhoorntjes wisten wel dat de eksters dit deden, maar ze begrepen niet goed wat het doel van dit alles was, of hoeveel zo'n blinkertje nu eigenlijk waard was. Soms ruilden twee eksters een stukje zilverpapier tegen twee steentjes, soms een steentje tegen een flessendop, en soms vier flessendoppen tegen drie stukjes zilverpapier. Het leek er wel op dat de waarde van een blinkertje met de dag kon veranderen, of misschien was er meer verschil tussen de blinkertjes dan de eekhoorntjes konden bevroeden.

Af en toe vond een eekhoorntje een blinkertje, en als hij dan toevallig een ekster tegenkwam, ruilde hij dat blinkertje voor een paar nootjes. Er waren zelfs een paar eekhoorntjes die speciaal op zoek gingen naar blinkertjes, om die tegen nootjes te ruilen. Ze zeiden dat dat veel efficiënter was dan het verzamelen van nootjes. En warempel, sommige van die eekhoorntjes slaagden erin een veel grotere verzameling nootjes aan te leggen dan de meeste andere eekhoorntjes. Deze eekhoorntjes gingen soms zelfs zo ver dat ze blinkertjes ruilden tegen andere blinkertjes, alvorens de nieuw verkregen blinkertjes tegen nootjes te ruilen. En er waren er zelfs bij die, naast hun verzameling nootjes een kleine verzameling blinkertjes aanlegden. Die zouden ze pas ruilen als ze er echt veel nootjes voor konden krijgen, zeiden ze dan.

Nu waren veel eekhoorntjes in hun hart een beetje afgunstig tegenover de blinkertjeseekhoorntjes. Ze begrepen niet hoe die te werk gingen, maar het leek hun veel gemakkelijker af te gaan dan het zwoegende deel van de kolonie dat de hele dag op zoek was naar nootjes. De blinkertjes-eekhoorntjes waren onder elkaar ook de hele dag aan het discussiëren over blinkertjes. "De flessendoppen doen het goed, deze zomer", zeiden ze dan, of: "Ik richt me nu vooral op zilverpapier, want dat zal schaars worden dit najaar." Dit soort praat klonk de andere eekhoorntjes als geraaskal in de oren, maar de blinkertjeseekhoorns schenen elkaar zeer goed te begrijpen.

In een jaar dat de zomer erg heet was, maakten de blinkertjes-eekhoorntjes veel ophef over flessendoppen. "Flessendoppen zijn heel erg in trek bij de eksters", zeiden ze, "En dat wordt steeds erger. Als je nu een flessendop aan een ekster aanbiedt, geeft hij er wel vijf nootjes voor! En dat wordt alleen maar meer! Als je een week wacht, is een flessendop wel tien nootjes waard! Of vijftien!" Veel eekhoorntjes begonnen nu uit te kijken naar flessendoppen, maar die waren er bijna niet. "Geen wonder dat de eksters zoveel over hebben voor flessendoppen," dachten ze, "Er is geen flessendop in het bos te bekennen."

Op een dag dat de waarde van een flessendop al op 25 nootjes werd geraamd, rende het eekhoorntje Shari door het bos, wild om zich heen speurend naar flessendoppen. Omdat ze niet uitkeek waar ze heen rende, botste ze op tegen de harige poot van Anni de vos. Shari keek Anni beduusd aan, en Anni zei, vriendelijk, "Zo, waar ben jij zo druk naar op zoek?"

"Ik zoek flessendoppen," zei Shari, "Weet je dat flessendoppen heel erg veel nootjeswaard zijn?" "Flessendoppen, he," zei Anni, "Toevallig heb ik er daar een hoop van." De oortjes van Shari begonnen wild te trillen. "Heb jij flessendoppen? Kan ik die met je ruilen voor nootjes?" "Dat is goed," zei Anni, "Maar ik wil wel acht nootjes voor een flessendop hebben." Aangezien Shari wist dat flessendoppen inmiddels wel 25 nootjes waard moesten zijn, leek haar dat een koopje. "Hoeveel flessendoppen heb je?" vroeg ze. "Zoveel als je wilt," zei Anni.

Shari rende naar huis, naar haar voorraad nootjes. Ze stopte ze in een grote zak, en sleepte die in de richting van de plaats waar ze Anni was tegengekomen. "Waar ga je met je nootjes heen?" vroegen de eekhoorntjes die ze tegenkwam. "Naar Anni de vos," zei Shari, "Die geeft een flessendop voor acht nootjes! Ik ga mijn hele voorraad brengen, en dan ga ik de flessendoppen aan de eksters aanbieden voor 25 nootjes!"

Veel eekhoorntjes die ze dit vertelde, spurtten onmiddellijk naar hun eigen voorraad om die naar Anni te brengen. Een paar hadden twijfels. "Weet je zeker dat je 25 nootjes voor een flessendop kunt krijgen?" vroegen ze. "Dat zegt toch iedereen," zei Shari, "Maar zelfs als 25 nootjes overdreven is, dan zal ik er toch zeker flink op vooruit gaan! Je weet toch hoe hard flessendoppen in waarde stijgen." En ze vervolgde haar weg.

En inderdaad, Anni de vos had voldoende flessendoppen in voorraad om Shari's hele wintervoorraad op te kopen. En niet alleen Shari's voorraad, maar ook de voorraad van veel andere eekhoorntjes die hun nootjes kwamen aanbieden. Slechts een paar eekhoorntjes bleven met hun voorraad zitten omdat Anni niet genoeg doppen had, en moesten hem, teleurgesteld, weer naar huis slepen.

Hoe opgewonden waren de eekhoorntjes! Ze bezaten nu grote hoeveelheden flessendoppen! Ze waren allemaal rijk! De meesten bleven een tijdlang gelukkig naar hun flessendoppen kijken, maar Shari, die honger had gekregen, wilde gelijk wat nootjes voor haar flessendoppen hebben. Ze nam er een aantal onder de arm, en wandelde rond tot ze een ekster had gevonden. "Kijk eens," zei ze, trots haar flessendoppen ophoudend. "Hee," zei de ekster, "Flessendoppen. Die heb ik al een tijd niet gezien. Die wil ik wel hebben. Hoeveel nootjes moet je hebben voor een flessendop?" Shari overwoog nog even of ze dertig moest vragen, maar besloot niet het onderste uit de kan te willen halen. "Vijfentwintig," zei ze, "Maar als je ze allemaal ruilt mag je ze voor twintig per stuk hebben."

De ekster keek een moment verbaasd, en begon toen onbedaarlijk te lachen. "Twintig nootjes voor een flessendop?" proestte hij, "Dank je de koekoek!" "Hoeveel nootjes geef je dan voor een flessendop?" vroeg Shari, die zich een beetje onbehagelijk begon te voelen. De ekster dacht even na, en zei toen, "Drie nootjes voor een flessendop lijkt me meer dan voldoende." "Drie nootjes!" riep Shari geschrokken, "Maar iedereen weet toch dat flessendoppen veel meer waard zijn!" "Ik weet niet wie 'iedereen' is," zei de ekster, "Maar als je meer dan drie nootjes wilt hebben, moet je ze maar met iemand anders ruilen, hoewel het me sterk lijkt dat er iemand is die guller is dan ik."

Shari nam haar flessendoppen weer onder de arm, en rende door het bos tot ze een andere ekster tegenkwam. Weer bood ze haar doppen aan, maar die ekster bood zelfs maar twee nootjes voor een dop. En ze zocht verder, maar geen enkele ekster wilde meer dan drie nootjes voor haar doppen geven.

Teleurgesteld en een beetje wanhopig ging ze terug naar huis. En daar zag ze een andere eekhoorn op een berg nootjes zitten. "Heb jij geen flessendoppen geruild?" vroeg ze. "Nee," zei de eekhoorn, "Anni had er niet genoeg." "Nou," zei Shari gul, "Je kunt er wel wat van mij krijgen. Voor twaalf nootjes krijg je een flessendop." "Twaalf nootjes?" zei de eekhoorn," Maar bij Anni kostten ze maar acht!" "Dat weet ik wel," zei Shari, "Maar Anni heeft ze niet meer. En iedereen weet toch dat ze 25 nootjes waard zijn." "Ik weet het niet hoor," zei de andere eekhoorn, "Ik vind twaalf nootjes erg veel." "Vooruit dan," zei Shari, "Tien nootjes voor een flessendop." Maar de andere eekhoorn voelde nattigheid, en zei, "Nou nee, ik denk dat ik mijn nootjes toch maar houd. Tenzij..." "Tenzij wat?" zei Shari. "Wel," zei de eekhoorn, die dacht slim te zijn, "Ik wil wel flessendoppen kopen voor zes nootjes per dop." Shari was verbouwereerd. Zes nootjes voor een dop. En ze had er acht betaald! Maar ja, het bod was beter dan ze van de eksters had gekregen, en ze begon nu toch wel erg veel honger te krijgen. Zuchtend gaf ze toe, en gaf de helft van haar flessendoppenverzameling aan de andere eekhoorn voor zes nootjes per dop.

Dit bleef niet onopgemerkt. "Shari verkoopt flessendoppen voor zes nootjes per dop!" werd er rondgefluisterd. "Wat dom! Iedereen weet toch dat flessendoppen wel 25 nootjes waard zijn!" Maar een paar eekhoorntjes die hongerig waren en met grote hoeveelheden flessendoppen zaten, en die ook al bij de eksters hadden lopen leuren met hun doppen, zagen hun kans schoon, en zeiden, "Wij willen ook wel flessendoppen verkopen voor zes nootjes per dop." En korte tijd later waren de eekhoorntjes wild onder elkaar nootjes en doppen aan het ruilen. Eerst voor zes nootjes per dop, toen voor vijf, toen voor vier...

Toen de eekhoorntjes eenmaal allemaal van elkaar doorhadden dat ze hun doppen kwijt moesten, wilde vrijwel niemand ze meer ruilen. Sommige eekhoorntjes gingen met de eksters doppen ruilen voor drie nootjes per dop. En de eksters, die hun kans schoonzagen, boden op een gegeven moment nog maar twee, en daarna zelfs maar één nootje voor een flessendop. De eekhoorntjes, die nootjes toch echt nodig hadden, waren gedwongen om daarmee akkoord te gaan. De meeste hielden nog een grote hoeveelheid doppen in voorraad, in de hoop dat in de nabije toekomst de doppen weer meer waard zouden worden. Maar de eksters hadden voorlopig doppen genoeg.

Daar zaten de eekhoorntjes nu. Ze hadden allemaal nog maar een paar nootjes, en grote hoeveelheden waardeloze flessendoppen. Hoe had dit nu kunnen gebeuren? Een grote, grijze eekhoorn, de slimste van het stel, kreeg een bang vermoeden."Denken jullie..." zei hij, "Denken jullie... dat Anni de vos hierachter zit?" "Hoe bedoel je?" zeiden de andere eekhoorntjes. "Wel," zei de Grijze, "Beseffen jullie wel dat Anni heel veel flessendoppen had? Zou ze die soms heel bewust verzameld hebben?" "Maar waarom zou Anni flessendoppen verzamelen? Ze kon toch niet weten dat die zoveel waard zouden worden?" vroegen de andere eekhoorntjes. "Misschien heeft Anni eerst de doppen verzameld, en heeft ze toen zélf het gerucht verspreid dat doppen zoveel waard zijn. Ik bedoel, we riepen allemaal dat 'iedereen' wist dat doppen 25 nootjes waard zijn, maar niemand kon zeggen wie dan wel 25 nootjes voor een dop zou geven."

Verontwaardigd begonnen de eekhoorntjes door elkaar te praten. Zou Anni hen werkelijk zo bedrogen hebben? Wat een schandelijke streek! "We moeten naar de uil!" riep er één. "Ja!" riepen de anderen, "Naar de uil! De uil zal recht spreken!" Zo gezegd, zo gedaan. De wijze uil, die al eerder met Anni's streken te maken had gehad, wist haar te vinden en liet haar door twee valken naar zijn hol in de stam van de Grote Boom brengen. Daar zaten de eekhoorntjes haar boos op te wachten.Anni stelde zich zonder blikken of blozen voor de uil op, en zei, "Wat is er aan de hand? Heb ik iets misdaan?" "De eekhoorntjes vinden van wel," zei de uil. "Wat zeggen de eekhoorntjes dan?" vroeg Anni.

De uil gaf het woord aan de Grijze. "De vos Anni heeft ons flessendoppen verkocht voor acht nootjes per dop!" beschuldigde de Grijze haar, "Terwijl de eksters maar twee, hooguit drie nootjes voor een flessendop geven! Anni heeft geruchten in de wereld geholpen dat doppen wel 25 nootjes waard zijn, waardoor wij misleid zijn, en haar inderdaad acht nootjes voor een dop hebben gegeven! Wij eisen onze nootjes van Anni terug!" En tevreden ging hij weer zitten.

Anni keek de uil aan. "Is het werkelijk nodig dat ik hier nog iets aan toevoeg?" vroeg ze. De uil keek haar met streng aan, maar begreep heel goed wat er gebeurd was. Ze schudde meewarig het hoofd, en zuchtte. Toen draaide ze zich naar de Grijze, en vroeg, "Heeft Anni jullie gedwongen om acht nootjes voor een dop te geven?" "N-nee," sprak de Grijze, "Maar de doppen zijn geen acht nootjes waard." "Blijkbaar wel," zei de uil, "Althans, op het moment dat Anni jullie de doppen verkocht. Jullie betaalden immers acht nootjes per dop?" "J-ja, m-maar," stotterde de Grijze, "Alleen omdat we dachten dat ze veel meer waard waren. En - en - en dat dachten we omdat zij", met een beschuldigende poot naar Anni, "het gerucht had verspreid dat ze zoveel waard waren." "Is dat waar?" vroeg de uil aan Anni. "Zeer zeker niet," sprak die luchtig, "Het is mogelijk dat ik tegen één of twee eekhoorntjes ooit heb opgemerkt dat ik dacht dat flessendoppen veel waard zouden worden. En daarin heb ik gelijk gehad: ik vind acht nootjes voor een dop behoorlijk veel. Maar ik heb nooit gesproken over het belachelijke bedrag van 25 nootjes voor een dop. Eerlijk gezegd, denk ik dat de eekhoorntjes elkaar een beetje hebben zitten opjutten en steeds grotere verwachtingen geschapen hebben."

De uil knikte en keerde zich weer tot de eekhoorntjes. "Voor zover ik heb begrepen," sprak ze, "Zijn doppen zoveel waard als een gek ervoor wil geven. En jullie waren de gekken die er acht nootjes voor gaven. Wat hadden jullie eigenlijk gedacht met die doppen te doen?" "Aan de eksters verkopen!" riep de Grijze opgewonden, "Maar die wilden niet meer dan drie nootjes voor een dop geven!" De uil zuchtte nogmaals. "En het is niet in jullie opgekomen om van tevoren na te gaan of de eksters wel bereid waren minstens acht nootjes voor een flessendop te geven?"

Het was even stil. Bedremmeld bogen de eekhoorntjes het hoofd.

"Dat dacht ik al," sprak de uil. Vervolgens richtte ze zich tot Anni, die onschuldig voor zich uit keek. "Ik kan niet zeggen dat ik het netjes vind wat je gedaan hebt, maar dat neemt niet weg dat ik geen reden heb om je te straffen. Je kunt gaan." zei ze. En ze vervolgde tot de eekhoorntjes: "Jullie hebben je laten leiden door je eigen domheid en hebberigheid. Geen van jullie had enig benul van de waarde van flessendoppen. Jullie lieten je opjagen door elkaar. En jullie dachten heel slim te zijn door te profiteren van de vermeende domheid van Anni, die voor acht nootjes flessendoppen wilde verkopen, terwijl er eksters zouden zijn die er wel 25 nootjes voor zouden geven! Zo hebberig waren jullie dat je je hele wintervoorraad weggaf in ruil voor iets waar je zelf niets aan hebt, omdat jullie meenden dat er uilskuikens waren die er nog veel meer nootjes voor zouden geven. Wel, die uilskuikens waren jullie zelf! Je hebt je ongeluk aan je eigen kortzichtigheid te danken. Ik kan jullie alleen maar aanraden je in het vervolg bezig te houden met datgene waar je verstand van hebt, namelijk nootjes verzamelen. En ik zou maar opschieten, want de winter komt eraan en jullie hebben nog heel veel nootjes in te zamelen."

Anni deed ook nog een duit in het zakje. "Als jullie willen," zei ze, "Ben ik bereid twee nootjes voor een flessendop te geven. Ik heb namelijk wel tijd om te wachten tot flessendoppen weer meer waard worden, en het toeval wil dat ik over een grote hoeveelheid nootjes beschik."

Boos keerden de eekhoorntjes haar de rug toe en liepen het bos in. Maar toch waren er later op de avond eekhoorntjes te zien, die hun waardeloze flessendoppen aan Anni aanboden voor twee nootjes per dop. Tenslotte hadden ze meer aan nootjes dan aan flessendoppen.
Pieter Spronck
(bron: http://www.cs.unimaas.nl/p.spronck/)

^^ Terug naar boven                     



De legende van de baobab
Eén van de bij toeristen meest tot de verbeelding sprekende boomsoorten in Oost-Afrika is de Baobab (swahili: mbuju). De boom heeft een keiharde, gladde stam die vaak aan de bovenkant plotseling versmalt, waardoor hij de vorm heeft van een fles. Maar het meest opvallende van de boom is zijn grillege netwerk van kale takken. Met een beetje fantasie lijkt het erop of een Baobab ondersteboven in de grond is geplant, iets wat inspiratiebron was voor de volgende lokale legende:

Er was eens een hele belangrijke koning met slechts één slechte eigenschap; hij was bijzonder ijdel. Hij vond zichzelf veruit het mooiste wezen in het land en duldde niet dat een van zijn onderdanen er ook maar het kleinste vraagtekentje bij zette. Zijn volk keek wel uit, want de koning was een sterk en machtig man die niet bekend stond om zijn tolerantie. Toch was er één wezen in het rijk van de koning die zo mogelijk nog ijdeler was en bovendien het lef had om er hardop voor uit te komen: een reusachtige Baobabboom. Het was een imposante verschijning met een dikke stam en een weelderige kroon van groene bladeren. De koning onstak in woede toen hij de Baobab hoorde vertellen dat hij veel mooier was. Als straf rukte hij de boom uit de grond en zette hem op zijn kop weer terug. Uit solidariteit met hun soortgenoot deden alle andere Baobabs in het land hetzelfde waardoor het sinds die tijd lijkt of de Baobab met zijn wortelstelsel in de lucht steekt.

Veel Afrikaanse volken beschouwen de Baobab als en heilige boom en aanbidden hem als een godheid. Daarnaast wordt de Baobab ook voor een aantal meer praktische zaken gebruikt. De uitgeholde stam kan dienst doen als waterton of kano, de bast wordt verwerkt tot touw waarvan onder andere ijzersterke manden worden gemaakt en het fruit is eetbaar. Daar komt dan nog de functie bij die de Baobab heeft voor de westerlingen; die van dankbaar onderwerp om een prachtig plaatje van te schieten.
onbekend
(bron: (http://home.wanadoo.nl/kampie))

^^ Terug naar boven